Luisteren met de ogen
Ji Yoon Lee / Oleksii Semenenko Foto: Photo News

Met al die draaiende camera’s en felle lichtspots in de zaal zou je het haast vergeten, maar de Elisabethwedstrijd is er niet om naar te kijken. Mateloos veel belangrijker, hoewel onopvallender, zijn de tientallen microfoontjes die boven het podium hangen. Uiteindelijk gaat het in eerste plaats om de muziek.

Je vraagt je af: zou de indruk van iemand die de wedstrijd via radio volgt wezenlijk verschillen van iemand die in de zaal of voor de televisie zit? Wellicht wel. Een universiteit uit Londen heeft daar ooit onderzoek naar gedaan, door professionele en normale muziekliefhebbers naar beelden te laten kijken. Vooral muzikanten die veel en actief bewogen en een expressieve frons voerden, werden geprezen om hun gepassioneerde vertolking.

Instinctief is zoiets wel te begrijpen. Om het schrijnende pathos uit een Mahlersymfonie te wringen, hoef je die heus niet te dirigeren van op de knieën, zoals Bernstein ooit deed. Maar het ziet er natuurlijk behoorlijk indrukwekkend uit. Om het horen niet door het kijken te laten verblinden, bestaan er wedstrijden waar de jury louter op het gehoor af punten geeft. Op het Haarlemse Improvisatieconcours bijvoorbeeld weet alleen het publiek welke organist aan het spelen is. Of zoiets ook leuke televisie oplevert, is een andere zaak. Luisteren doe je met de oren, maar het oog wil toch ook wat. Kan je iets zinnigs zeggen over hoe de Elisabethfinalisten gisteren te kijk stonden?

Ji Yoon Lee: niet bijdetijds

Je hebt maar één kans voor die eerste goede indruk. De Koreaanse violiste Ji Yoon Lee was zich daar goed van bewust: met ruisende jurk, vlotte tred en stralende glimlach betrad ze het finalepodium. Maar hoe ze speelde – met flair in de lenden en enthousiasme op het gelaat – vertelde toch een totaal ander verhaal dan hoe ze speelde.

Lee’s partij van het plichtwerk lag helemaal verknipt en verplakt klaar op de pupiter. Precies zo klonk ook haar vertolking. Lee begon nochtans niet onaardig, door de quasi ondoenbare trek van fortissimo naar pianissimo in de eerste maat raak neer te zetten. Helaas schoot kort daarop een nootje weg, waarna de notenslierten elkaar zonder veel dieptewerking afwikkelden. Het middendeel kreeg in haar handen een van de meest slaapverwekkende lezingen van het concours. Mogelijk was het ook de langzaamste: het duurde in elk geval een eeuwigheid. In haar tamme finale was loyaliteit aan de partituur niet het hoogste doel, en ook in de slotpassage stak het niet zo nauw met de noten.

Lee, die twee jaar geleden de David Oistrakh Vioolwedstrijd in Moskou won, speelde op haar halve finaleproef met vaart en technisch verstand. Op papier alvast voldoende kwaliteiten om uit te kijken naar haar Brahmsconcerto. Daarin bleek de nasmaak van het plichtwerk bevestigd. Ze liet haar publiek door een lang dal kruipen, met een vertolking die ontluisterd werd door onzuivere nootjes, nerveuze trekjes en wankel samenspel. Wanneer Lee echt aan muziek toe kwam, koos ze voor vioolspel uit de oude doos. Maar met alleen larmoyante crescendo’s of grievende vertragingen als meerwaarde win je geen concours.

Oleksii Semenenko: spelen op de breekgrens

Al voor de vijfde keer op rij was het aan de tweede finalist om de avond goed te maken. Oleksii Semenenko is een leerling van de legendarische viooldocent Zakhar Bron, die meerdere van zijn pupillen tot in de hoogste Elisabethregionen loodste. De Oekraïense violist boezemde tijdens de halve finale ontzag in met een eclatant recital, waarin hij het publiek volledig in vervoering bracht.

Dat deed hij zoals verhoopt opnieuw, met een geëngageerde en bloedstollende vertolking van het plichtwerk. Ook al was er hier en daar een rafelrandje, deze uitvoering rekenen we voorlopig tot de beste van het concours. Semenenko speelde met een pakkende schwung, maar zette af en toe ook de hakken in het zand. Hij durfde rauw op de snaren krassen, koos voor opwindende accenten en greep de voorgeschreven bibberingen niet aan om te janken. Ingecalculeerd in Semenenko’s vertolking was een narratieve logica, die het werk van Jarrell tot een rijke, emotionerende en boeiende vertelling maakte. Klein voorbeeld: zoals hij in het derde deel een perfect getimede en lucide trek maakte vanuit de vier flitsende trillers naar de hoge topnoot tientallen maten verder, hebben we het niet eerder gehoord.

In het Sibeliusconcerto dat volgde, liet Semenenko de hoofdmelodie heel broos en stil aanzwellen, om er daarna een sterk persoonlijk verhaal mee te maken. De violist leverde een intrigerende lezing, die opviel door een gebrek aan warmte en politesse. In tegenstelling tot Lee speelde Semenenko zo’n beetje zoals hij er ook uitzag: in zichzelf gekeerd, verbeten, geplaagd en vereenzaamd.

Uit elke maat sprak analytisch inzicht en retorische alertheid. Semenenko maalde niet om een lelijke noot, een zeurende vibrato of een gure boogstreek: hij maakte de luisteraar aldoor bewust van de onttakeling achter de muziek. Af en toe had je het gevoel dat hij op de breekgrens van zijn instrument zat te spelen. Maar hoe interessant of aanstotelijk je dat ook mag vinden, op technisch vlak schortte er toch wat. Semenenko ging soms zo verhevigd te werk dat de intonatie verpieterde en het samenspel lelijk in de knel kwam. Nee, de wedstrijd zal hij wellicht niet winnen, maar dat hier een fascinerend violist te kijk staat, is wel duidelijk.