Het recht van de sterkste
William Hagen en Xiao Wang Foto: pn

Waarom doet iemand mee aan een concours als de Elisabethwedstrijd? Geld is een antwoord, want met 25.000 euro en een Stradivarius in bruikleen heeft het concours een niet te versmaden hoofdprijs in de aanbieding. Al zijn er concoursen met een rijkere prijzenpot: enkele maanden geleden kreeg oud-Elisabethlaureaat Yu-Chien Tseng 50.000 Amerikaanse dollar op de eerste editie van het vioolconcours van Singapore.

Maar als het niet voor de poen is, waarvoor dan wel? In het verleden waren wedstrijden vaak de enige manier voor een muzikant om hun naam te lanceren. Na de Tweede Wereldoorlog dienden ze ook historisch-politieke doeleinden en de Koude Oorlog werd op cultureel vlak uitgevochten door talent van eigen bodem in te zetten als artistiek geschut. Voor Sovjetmusici als Gidon Kremer of Vladimir Ashkenazy was de Elisabethwedstrijd een internationale springplank: hun hele carrière is met dit concours begonnen.

Intussen is de internationale politiek ingrijpend veranderd en kunnen muzikanten dankzij digitale platformen, nieuwe media en een gewijzigde muziekscène zichzelf ook zonder wedstrijden in de kijker werken. Een prestigieuze titel op je palmares staat leuk, maar het echte werk begint toch pas daarna. Zoals diezelfde Kremer onlangs in deze krant vertelde : voor een muzikant is elke dag een wedstrijd. Hij haalde er zelfs Darwin bij. Het had ook Marx kunnen zijn: op de markt geldt altijd overal het recht van de sterkste. Laten we dat eens als vertrekpunt nemen. Hoeveel overlevingskans hebben de kandidaten die gisteren aan bod kwamen?

Xiao Wang: goede manieren

De enige volbloed Chinese kandidaat van het concours, Xiao Wang, zorgde in de halve finale voor een prettige verrassing, door een vioolsonate van Schumann te spelen. Zijn fraaie, maar sobere prestatie werd wel ontsierd door enkele technische mankementjes. Gezegend met het voordeel van de twijfel stapte hij fluks en vrolijk het finalepodium op.

Het plichtwerk dat Wang uitvoerde, was weinig opmerkelijk. De violist fladderde losjes over de notenguirlandes heen, bracht hier en daar een accent aan en speelde met een keurig gedoseerde mengeling van plichtsbesef en goede manieren. Terzijde: als het stuk van Jarrell al iets aangekaart heeft, is het wel hoe weinig kandidaten in staat zijn om muziek te masseren uit fluit, ruis en piep. Bij tal van violisten lijkt het talent hun fantasie in de weg te zitten. Hoewel totnogtoe geen enkele finalist voor deze partituur echt is bezweken, bezaten alleen Feldmann en Bomsori voldoende verteltechniek om Jarrells noten naar taal om te zetten.

In het Sibeliusconcerto bewees Wang vooral zijn zelfredzaamheid. Deze speler bezit van nature een mooie toon, die zich makkelijk laat draperen op elke melodievorm. Maar echt kleur en sfeer maken is niet zijn primaire bekommernis. Daarvoor moet Wang zich nog al te zeer bezighouden met het oplossen van technische problemen. Hoewel hij daar vaak gewiekst mee omspringt – bijvoorbeeld door de voorslag van een moeilijke noot belangrijker te maken – kreeg hij het op den duur toch knap lastig. Vooral de uitschuivers in de finale zullen hem door de jury niet licht vergeven worden.

William Hagen: atletische rechterarm

Als het ook in muziek waar is dat competitie de drijfkracht is achter evolutie, dan lijkt een violist als William Hagen ervoor gemaakt. In de halve finale had deze kandidaat laten horen dat hij van de drie deelnemers uit de Verenigde Staten de meest ‘Amerikaanse’ sound bezat. Op zijn wervelende recital pakte hij de volledige zaal voor zich in met doortastend en impressief vioolspel. Zijn finaleproef bracht meer van hetzelfde, met gelijkaardig resultaat.

Zo flitsend en vinnig als Hagen het plichtwerk aanvatte, hebben we het deze week niet eerder gehoord. De violist schoot zonder voorafgaandelijke stembeurt uit de startblokken met wat wellicht de snelste vertolking van Jarrells miniatuurconcerto was. Hagen nam het niet altijd even nauw met de dynamische details uit de partituur, maar opwindend was het wel.

Zijn keuze voor het monstrueus virtuoze concerto van Tsjajkovski leek onvermijdelijk. Hagen opende buitengewoon sober, al was het in de beginminuten soms bang zoeken naar de juiste intonatie. Maar eenmaal hij het juiste vliegniveau bereikte, stevende zijn prestatie onverstoord virtuoos af naar de eindmeet. Hagen projecteerde met zijn atletische rechterarm de vioolklank tot in alle zichtbare hoeken van de zaal en zoog met fel hoog spel zo de aandacht naar zich toe dat de voltallige spelersploeg van het Nationaal Orkest er als een duur en groot decorstuk bij zat. Zijn ritmisch rigoureuze vertolking van de finale deed de zaal ontploffen.

Het is verleidelijk om euforisch te worden bij zoveel musiceerdrift, dus laten we ook kritisch blijven. Er is toch nog een groot verschil tussen dit soort powerplay en het spel van andere zogenaamd ‘energieke’ topviolisten als bijvoorbeeld Janine Jansen. Wie haar ooit hetzelfde concerto hoorde uitvoeren, weet wat daarmee bedoeld is. Jansen maakt boven alles op fabuleuze wijze muziek, en de tomeloze energie die dat genereert is daarvan een afgeleide. Bij Hagen hoorden we vooral energie. Maar dat zegt uiteraard niks over zijn overlevingskansen op de markt. Voor fysiek ijzersterk, ritmisch voortvarend en muzikaal ontvlambaar vioolspel van dit kaliber zal altijd een breed publiek blijven bestaan. En een violist als Hagen zal het moeiteloos weten te vinden.