Soms ernstig, maar niet hopeloos
Kenneth Renshaw & Kim Bomsori. Foto: photo news

Hoe fruitkleurig de stijlvolle outfits van Marlène de Wouters ook zijn, we kunnen er niet om heen: de concertzaal kleurt grijs. Op studiedagen over klassieke muziek is het intussen een vast onderwerp. De toestand is ernstig, zeggen cijfers en grafieken. Maar is ze ook hopeloos?

De gemiddelde bezoeker van klassieke concerten is inderdaad op leeftijd. Als je er nuchter over nadenkt, is dat best gek. Berlioz was 27 toen hij zijn roesdronken Symphonie fantastique schreef, net zo oud als Beethoven toen hij de briesende drukte van de Pathétique bedacht. Stravinski was niet veel ouder toen hij keet schopte met de Sacre du printemps, terwijl Rossini amper de twintig voorbij was toen hij Italië platwalste met zijn opera’s. Mozart en Schubert hebben zelfs nooit de middelbare leeftijd bereikt. Tegenwoordig klinkt hun muziek bijna exclusief voor een publiek dat zich bij de strijd van het volwassen worden niet veel concreets meer kan voorstellen.

Maar, hopeloos? Klassiek is misschien uit beeld verdwenen, toch is het nog steeds in trek bij jonge mensen. Een concours als de Elisabethwedstrijd heeft zelfs relatief veel hip volk op het rode pluche zitten. En natuurlijk staan op het podium alleen maar jonkies: wie ouder is dan dertig, mag gewoon niet eens meedoen. De twee kandidaten die gisteren aantraden, waren 22 en 25 jaar oud. Tel die getallen samen en je hebt zo ongeveer de leeftijd van Johannes Brahms toen die zijn vioolconcerto schreef. Dat werk stond overigens bij beide finalisten op het programma. Hadden ze er ook iets over te zeggen? Het zal wel zijn.

Plichtwerk: passie versus poëzie

Twee kandidaten die krek hetzelfde finaleprogramma spelen, die moet je gewoon zij aan zij in de weegschaal leggen. Eerst aan zet kwam de Amerikaanse violist Kenneth Renshaw, die op de halve finale oerdegelijk, geconcentreerd en piekfijn vioolspel bracht. Voor zijn ‘concurrente’ Kim Bomsori is het al de tweede keer dat ze meedoet aan de Elisabethwedstrijd: in 2012 strandde ze in de halve finale. Beide kandidaten zitten overigens op dezelfde school, wat de vergelijking een extra tikje geeft.

Het plichtwerk van Michael Jarrell kreeg bij elke speler een geheel eigen signatuur. Renshaw begon net zoals veel kandidaten met een dunne klank, voerde secure boogstreken en fascineerde met ritmische precisie. Mooi om horen was ook hoe deze kandidaat er als eerste in slaagde pizzicato’s en arpeggio’s mee in het muzikale verhaal te betrekken. Bomsori opende indringender, met een volle en heldere vioolklank en met dynamisch flexibele notensliertjes. Terwijl Renshaw een zeer gevoelvolle, haast huilebalkerige lezing bracht van het etherische middendeel, liet Bomsori haar inbreng net terugzakken tot de poëzie van de tonen zelf.

Brahms: lezing versus inleving

Maar uiteraard draaide deze avond niet om Jarrell. Over het Brahmsconcerto dat beide kandidaten speelden, en dan vooral het verschil daartussen, zal nog lang worden nagepraat. Laten we het zo samenvatten: als de Brahms van Bomsori er een van ronkende volzinnen was, dan bracht Renshaw een Brahms vol interpuncties, haakjes en aanhalingstekens.

De Amerikaanse violist liet nadrukkelijk horen te hebben nagedacht over deze muziek. Bij zowat elke virtuoze passage greep hij de kans aan om iets te expliciteren, door een snaar grauw aan te strijken of op het tempo te drukken. Niet dat zoiets oninteressant of zielloos vioolspel opleverde, maar na een tijdje begon je toch af te haken. Zijn interpretatie van de muziek groeide uit tot een soort ‘lezing’ waarbij hij zo veel mogelijk uit de noten wilde persen. Waardoor de muziek van Brahms het lot onderging van een godsmooi schilderij dat ingekaderd werd in een te opzichtige lijst. Brahms behoeft geen omhaal. En al zeker geen tweederangs cadens.

Bomsori daarentegen had een meer traditionele, maar ook meer doorleefde kijk op dit werk. Niet alleen stond ze technisch boven de soms onzuiver intonerende Renshaw. Ze bezat ook meer podiumzekerheid en communicatieskills, wat haar vertolking beduidend prettiger maakte om naar te luisteren. In plaats van de partituur stukje bij beetje te motiveren, leefde Bomsori zich volledig in. Al in de openingsgeste – door Renshaw nog in mootjes gehakt – maakte Bomsori een lange, helder vloeiende beweging richting hoofdmelodie. Met soevereine, gracieuze snaarstrijkerij, een leeuwerikachtige sound en een viriele vibrato gaf ze de muziek alle ruimte. En dat zonder zichzelf op de voorgrond te plaatsen.

Moeilijk te zeggen hoe Bomsori’s prestatie zich verhoudt tot die van Feldmann of Mohri. Daar beginnen we dus niet aan. Feit is wel: al voor de derde avond op rij wandelen we met een blijmakend gevoel de zaal uit. Met dank aan drie jonge musici die ons op deze wedstrijd naar muziek laten luisteren. Als dat niet hoopvol is, weet ik er niks van.