Wat als hedendaags klassiek niet je ding is?
De Zwitserse componist Michael Jarrell. Foto: rr
‘Pfff, Bartók! Dat is zéér moderne muziek’, zo fluisterde een man op de rij achter mij zijn vrouw toe. Zal die even ferm geschrokken zijn toen William Ching-Yi Wei ‘…aussi peu que les nuages…’ van de Zwitserse componist Michael Jarrell aanvatte. Dat stuk is niet revolutionair, maar na twee luisterbeurten lijkt het plichtstuk al zijn plicht te doen: het laat de vergelijking toe tussen iemand die de noten speelt en iemand die ze gebruikt als badparels voor een schuimend klankenbad. Maar hoe luister je naar deze muziek, als hedendaags klassiek je ding niet is? Het plichtwerk in vijf stappen.

1. De vliegende start 

Michael Jarrells plichtwerk is vormelijk een klassiek concerto in miniatuur: twee snellere hoekpassages omarmen een sereen middenluik. Jarrell opent onmiddellijk met de solist, die met de precisie van een mitrailleur een salvo aan knetterige nootjes af te vuren heeft. Wanneer het orkest zich dreigend opstelt, dreigt de soloviool overstemd te worden. Extra pluspunten voor de kandidaat die hier zijn toon kan blijven projecteren.

2. Het glazen recitatief

Na een moerasdonkere climax voor orkest begint het verstilde middendeel. De solist krijgt een klankwolk om zich heen die je nog het best kan omschrijven als versplinterd glas. Opdracht: vanuit die breekbare sonoriteit een soort recitatief laten oplichten door effectief gebruik te maken van de lage solsnaar.

3. De gewichtloosheid

Het middendeel onttrekt zich aan de wetten der zwaartekracht dankzij een resem flageolettonen: spookachtig iele tonen die ontstaan wanneer de snaar lichtjes gedempt wordt. Maar Jarrell zorgt ook voor zoiets als een romantisch wiegelende begeleiding in klarinet, en staat de solist ook enkele tweetoonsmelodieën toe. De violist die aan het eind van deze passage met extra vette vibrato’s terug de grond raakt, maakt de meest interessante landing.

4. Het hobbelparcours

Wanneer de viool opnieuw in zesde versnelling schakelt, zijn we vertrokken voor een dollemansrit richting finish. De solist lijkt het eerste segment van de compositie te herhalen, maar wie goed luistert hoort ook de obstakels onderweg. Af en toe een gillende noot, een onverwacht scherpe bocht of een notenputje in de weg bepalen welke piloot dit tracé het best beheerst.

5. De zwanenzang

Het orkest verschrompelt tot strijkersensemble en de solist krijgt een fraai uitgewerkte, lumineuze slotformule gepresenteerd. Een loepzuivere melodie (eloquent opgedeeld in vraag en antwoord) wordt twee keer herhaald en sluit daarna zonder drukte af met een pling en een pits. Sober sterven is de opdracht.