Slappe koorden & kapotte snaren
Tobias Feldmann Foto: Katrijn Van Giel
Hoe luister je naar de Koningin Elisabethwedstrijd? Interessante vraag. Kruip je in het hoofd van de jury en leg je de meetlat naast toonvorming, intonatie, vibrato en ritmiek? Controleer je vingerzetting en boogstreek en trek je voor elke slordig afgestopte noot een punt af? En hoeveel gewicht ken je toe aan de precisie in het samenspel met orkest? Soms lijkt het alsof nuchter cijferwerk de enige manier is om zin te verlenen aan de Elisabethwedstrijd.

Toch kan je niet anders dan naar deze kandidaten luisteren met het verwende oor van de concertganger. Dat de finalisten van het concours een aardig potje kunnen spelen, staat buiten kijf. Maar niet elke proef in de finale levert daarom een muzikale piekervaring op. Om er dan over te praten alsof het om een concert gaat, is bikkelhard maar houdt ook steek. Uiteindelijk bestaat muziek om ervan te genieten, niet om er punten aan te geven. Wat dat betreft kunnen we kort zijn over de eerste finaleavond van de Elisabethwedstrijd viool: er was een kandidaat die viool speelde, en een kandidaat die muziek maakte.

William Chin-Yi Wei: gebrek aan verbeelding

Tijdens de halve finale had violist William Ching-Yi Wei zich niet meteen laten laten opmerken als een te duchten kandidaat. Gisteren werd duidelijk waarom: deze kandidaat heeft het vioolspelen helemaal onder de knie, is uiterst toegewijd in het aanstrijken van de noten, maar doet ook niet heel erg veel meer dan dat. Het plichtstuk van Michael Jarrell, dat door hem in wereldpremière gebracht werd, kreeg daardoor een keurige, maar nogal doelmatige vertolking.

Dat gevoel werd uitvergroot in het Eerste vioolconcerto van Sjostakovitsj. Ching-Yi Wei liet zijn viool stevig ronken, maar zijn intonatie neigde vrijwel meteen naar het wiebelige. Ook wat hij aan de noten toe te voegen had, was niet bijster veel. En in een concerto dat het moet hebben van ruïne-achtige melodieën en sardonische speeldoosjesritmiek valt een gebrek aan verbeelding meteen op. Ook technisch stond deze kandidaat niet helemaal boven de partituur. Eerder dan kleur te maken en tempo’s af te dwingen, klonken er valse nootjes en slofte hij gedwee mee op gezag van dirigent en orkest. Het acute gebrek aan concertervaring doet deze jonge kandidaat de das om. Zou Ching-Yi Wei weten dat hij meedingt naar een prijs die voor het eerst op zak gestoken werd door David Oistrach, aan wie Sjostakovitsj dit concerto opdroeg? Zijn muzikaal verslapte vioolspel bezat alleszins te weinig kaliber om met het powerplay van Oistrach vergeleken te worden.

Tobias Feldmann: fantasie en vertelkracht

Veel meer werd verwacht van de Duitser Tobias Feldmann, die in de halve finale opviel met persoonlijk en meeslepend vioolspel. Het plichtwerk van Jarrell klonk in diens handen dan ook totaal anders. Feldmann, die op zijn Stradivarius een slankere toon en subtielere vibrato voert dan zijn voorganger, stortte zich met overgave op de verfijnde timbreverschillen, de verpulverde fluittonen en driftige ritmes. Uit een anonieme partituur ontstond ineens een secuur ingekleurd miniatuurconcerto.

Ook in het Tweede vioolconcerto van Bartók – een werk dat sinds 2001 niet meer op de wedstrijd te horen was – kon Feldmann imponeren met fantasie en vertelkracht. Al vanaf het eerste, vrank afgestopte boogje wist je dat hier een rasmuzikant aan het werk was. Een volleerd podiumbeest ook: toen in het midden van zijn cadens een vioolsnaar knapte, wisselde Feldmann sneller van instrument dan het duurt om deze zin te lezen.

In tegenstelling tot de machinaal op en neer strijkende Ching-Yi Wei liet Feldmann zijn strijkboog heerlijk en vrij over de snaren dansen. Magnifieke glissando’s, vlijmende accenten, lyrische zanglijnen: deze kandidaat combineerde een fenomenale techniek met tonnen speelplezier en theatraal vuurwerk. Een finaleproef waarbij een kapotte snaar niet eens het hoogtepunt van de vertolking vormt: zo maak je het op een concours zelden mee. Straffe kandidaat die dit nadoet.