De Stevaert-berichtgeving was oké
Tom Naegels Foto: *
Het was te verwachten dat de zelfmoord van Steve Stevaert zou leiden tot kritische vragen over de rol van de media.

Op de dag van de feiten zelf vroegen Yves Desmet en Indra Dewitte zich in Reyers Laat al af: ‘Waar zijn we mee bezig?’ Björn Soenens riep (zo vertelde Apache) op Facebook op tot het einde ‘van de destructieve verslaggeving en het schandpaaldenken’. En in een opmerkelijke open brief, die ondertekend werd door tachtig (80!) studenten journalistiek, werd de ‘deontologisch incorrecte berichtgeving’ gehekeld: ‘Worden we er wel wijzer van als we zien hoe een lijk uit het water wordt gevist?’

Toch verbaasde het me. Want ik vond de Stevaert-berichtgeving oké. De identiteit van de vrouw die de klacht had ingediend, is nergens onthuld. De nabestaanden zijn buiten beeld gebleven. Er is vaak benadrukt dat Stevaert zeker nog niet veroordeeld was. Er is geen verkeerde informatie gepubliceerd. Er zijn nauwelijks details uit het onderzoek vrijgegeven. De beelden van aan het kanaal waren misschien nietszeggend, maar ook niet opdringerig of onrespectvol. En we hébben niet gezien hoe het lijk uit het water werd gevist; op vraag van de politie zijn de camera’s toen uitgezet.

Dat is niet evident. De evenwichtsoefening die redacties afgelopen donderdag moesten uitvoeren, was delicaat. Het gaat om een zelfmoord – daar dien je terughoudend over te berichten, om een copycat-effect te vermijden. Maar het gaat ook over de zelfmoord van een publiek persoon, in de context van een gerechtelijk onderzoek naar mogelijk seksueel misbruik: dat roept net om véél aandacht. Er dient te worden benadrukt dat Stevaert enkel doorverwezen maar nooit veroordeeld werd – maar tegelijk kan een te grote nadruk op zijn juridische onschuld suggereren dat je de aantijgingen minimaliseert. De identiteit van de vrouw die de klacht heeft ingediend, moet verborgen blijven, tegelijk moet je wel íets kunnen zeggen over de omstandigheden die tot de klacht hebben geleid. En dat terwijl mensen snakken naar informatie – dat zet redacties onder druk om sneller te werken, het maakt ze wantrouwig of hun concurrenten het minder nauw zullen nemen met de ethiek. In eerdere episodes van ‘dramatische gebeurtenis leidt tot enorme media-aandacht’ (Sierre, Kim De Gelder, Ronald Janssen, Joe Van Holsbeeck, de zelfmoord van Yasmine...) leidde dat tot uitschuivers, die terecht kritiek hebben opgewekt. De optimist in mij denkt dan: kijk, die debatten hebben hun vruchten afgeworpen. Dat kan hé. Dat kan.

Van elke evenwichtsoefening kun je zeggen dat ze niet perfect was. Maar de kritiek díe er was, ging over stukken uit de marge: de column van Hugo Camps in De Morgen, die door velen als respectloos werd ervaren (maar wat een columnist schrijft, kan niet op rekening van ‘de berichtgeving’ worden gezet), een titel in de online-editie van de Nederlandse krant De Telegraaf met het woord ‘verkrachtingsminister’, een onlinestuk van Het Nieuwsblad, gepubliceerd voor de onrustwekkende verdwijning, waarin al te stellig stond te lezen: ‘Daar verkrachtte hij haar.’ Andere kritiek was subjectief. Dewitte en Desmet vreesden in Reyers Laat dat ‘in de perceptie’ toch zou blijven leven dat Stevaert schuldig was. (Niemand weet wat ‘in de perceptie’ blijft leven, maar als er vaak genoeg expliciet is gemaakt dat hij nooit veroordeeld is, dan moet je de perceptie geven wat de perceptie toekomt.) Een lezer van De Standaard vond dat Bart Sturtewagen te ver ging toen hij in zijn commentaar suggereerde dat Stevaerts wanhoopsdaad ‘het vermoeden van een bekentenis’ wekte. (Voor mij blijft dat binnen het spectrum van wat er vrij kan worden gezegd.) Misschien is er ‘te vaak’ naar ‘onze correspondent aan het kanaal’ overgeschakeld, maar ‘te vaak’ is niet per se ‘schadelijk’ of ‘onethisch’. Zelf fronste ik de wenkbrauwen bij de erg vriendschappelijke omgang die enkele hoofdredacteurs met Stevaert hadden, en daar ook in hun in memoria over getuigden. En ik vond het ironisch dat het gerecht, dat doorgaans wordt verweten te wéinig informatie te geven, nu plots het verwijt kreeg dat het te snél had gecommuniceerd.

Nieuwskritiek is belangrijk, ze maakt dat redacties op hun tellen letten. Maar áls ze dat dan doen, dan mag dat ook gezegd worden. ‘Geserreerd’, zo noemde NRC Handelsblad de omgang van de Belgische media met het drama. Een prachtig Hollands woord, ik heb het moeten opzoeken, het betekent: beknopt, beheerst. Ik ben het daarmee eens.

Aanvulling 8 april 2015

Ik wil nog even terugkeren op die open brief van de studenten journalistiek, waar ik het in de openingsparagraaf over had. Die ging immers over meer dan enkel de Stevaert-berichtgeving. Hij ging over de staat van de journalistiek in zijn geheel. En hij was bijzonder kritisch. ‘De laatste tijd zijn wij als toekomstige journalisten soms beschaamd over de berichtgeving en de bijhorende commentaren. Niet alleen doen deze soms onze tenen omkrullen van schaamte, vaak doen ze ook echt pijn.’

Als tachtig aanstormende journalisten dat ondertekenen, dan is dat een wake-up call die je niet mag negeren. Het toont dat dat diepe, brede onbehagen over de journalistiek zelfs aanwezig is bij hen die er hun beroep van willen maken. Het is mijn job om iedere dag met dat onbehagen aan de slag te gaan, dus herken ik het wel. En zoals veel journalisten breek ik mijn hoofd erover waar het vandaan komt – iedereen heeft immers zijn eigen, doorgaans heel stellige verklaring. Maar wat een constante is, in mijn ervaring, is dat het voortkomt uit de optelsom van allerlei niet-gerelateerde bezwaren, waarvan ik er sommige deel, en andere dan weer onterecht vind.

Ik neem de brief graag als vertrekpunt voor een wat algemenere beschouwing over dat onbehagen (al zal het toch weer over Stevaert gaan). Dit is wat de studenten schrijven:

Als studenten journalistiek zijn wij tegen de verschraling van de nieuwskwaliteit. Kort samengevat: het tot vervelens toe publiceren van allerlei lijstjes, artikels die steeds met 'hoe' of 'waarom' beginnen, het verspreiden van informatie zonder deze uitvoerig te controleren en het lekken van gevoelige en persoonlijke informatie bij overlijdens of rampen (Steve Stevaert, Germanwings, etc).

Dat zijn al meteen heel verschillende dingen. Die lijstjes en die artikels die met ‘hoe’ of ‘waarom’ beginnen, dat lijkt me vooral op te gaan voor Newsmonkey, de nieuwssite die de mosterd bij Buzzfeed is gaan halen. In de VS is het een formule die aanslaat, maar in Vlaanderen blijft het een marginaal fenomeen. De kans is eerder klein dat Vlaamse journalisten binnenkort de godganse dag zullen moeten nadenken over ‘zeventien broeken die je écht niet mag dragen op je eerste date’.

Het verspreiden van informatie zonder deze te controleren, dat is wél een heet hangijzer. Zowel de doorbraak van online snelnieuws als de evolutie naar grotere krantengroepen waarbij verschillende kranten dezelfde stukken gaan publiceren, verhoogt de kans op het reproduceren van foute verhalen. Daar sta ik als één man achter de studenten.

Maar het ‘lekken van gevoelige en persoonlijke informatie bij overlijdens of rampen’, daar zit ik dan weer ‘nee’ bij te schudden, zeker als de voorbeelden van Stevaert en Germanwings worden genoemd. Omdat de kritiek daar, meen ik, niet op de journalisten gericht is, maar op het gerecht. De Franse onderzoeksrechter was inderdaad atypisch toeschietelijk met informatie, net zoals het Brusselse parket sneller en uitvoeriger dan we van een Belgisch parket gewend zijn, bevestigde dat Stevaert was doorverwezen en waarom. Maar nog los van de vraag of ze daarmee in de fout zouden zijn gegaan, is het niet het probleem van de journalisten. Dié moeten oordelen of de informatie in het algemeen belang is – en àls ze dat is, dan is het soms nodig om gevoelige en persoonlijke informatie te melden. Was de informatie over de medische toestand van Andreas Lubitz dan niet relevant? Had de publieke opinie dan niét mogen weten dat Stevaert werd verdacht van verkrachting? Ik herhaal wat ik hierboven schreef: doorgaans klagen journalisten dat Justitie veel te gesloten is, niet aangepast aan de noden van de open, transparante mediamaatschappij. Maar als er open wordt gecommuniceerd, dan is het weer niet goed?

In de dagen na Stevaerts zelfmoord – maar ook de week tevoren, tijdens de berichtgeving over Germanwings – had ik sterk het gevoel dat de kritiek op de media voortkwam uit gêne. De normale menselijke reflex bij een drama is: ‘Laat die mensen met rust, het zijn onze zaken niet.’ De journalistiek zegt: jawel, het zijn onze zaken wél. En dus moeten journalisten het evenwicht zoeken tussen de rechten van de betrokkenen – hun recht op privacy, hun recht op een goede naam, hun recht om een pijnlijke gebeurtenis in alle rust te verwerken – en die van de omstaanders, voor wie het verhaal de aanleiding vormt voor een collectieve reflectie over macht, machtsmisbruik, de rechtsgang, verkrachting, depressie, zelfmoord en de erfenis van een bepaalde stijl van socialisme. (Die collectieve reflectie is, veel meer dan ‘het controleren van de macht’ of andere hooggestemde idealen, het ‘maatschappelijk belang’ waarmee zo vaak wordt geschermd, zonder dat het verder wordt gedefinieerd. Samen praten over moeilijke vragen als ‘waarom zou een vrouw drie jaar wachten om klacht in te dienen?’, ‘waarom zou een man in die positie zoiets doen, als hij het al heeft gedaan?’, ‘waarom zou hij zich van het leven beroofd hebben?’ helpt ons onze wereld beter begrijpen. Zelfs het dubben over de overdreven media-aandacht of de hatelijke reacties op Twitter speelt daar zijn eigen rol in.)

Maar het onbehagen blijft – het gevoel dat zegt: ‘Het hoort niet dat ik naar al dat leed sta te kijken.’ En dat onbehagen wordt versterkt door de schaal van de berichtgeving: zoveel media gaan erover berichten, dat de gêne onverdraaglijk kan worden. Het onbehagen slaat om in afkeer: stop met mij te verplichten te kijken.

Mijn punt is dat dat kan gebeuren, zonder dat er feitelijke of deontologische fouten zijn gemaakt. Wat het voor nieuwsmedia heel moeilijk maakt om tegemoet te komen aan de roep om zich ethischer te gaan gedragen. Zij hebben zich immers ethisch gedragen. Maar met allemaal samen ethisch staan doen bij een gebeurtenis die mensen hoedanook ongemakkelijk stemt, kan nog altijd immoreel overkomen.

Op dezelfde dag als mijn stuk hierboven verscheen, en waarin ik dus verdedigde dat de Stevaert-berichtgeving oké was, stond er in De Morgen een column van Carl Devos, die het tegenovergestelde vond. Hij drukte zich ongewoon fel uit:

Dat kokhalzende kamperen langs de kade. Wie ziet als eerste het lijk? Het beest moest worden gevoed, zo klinkt het. Welk beest? De aasgier? Hoe goedkoop is het excuus om te vreten? En dan komen ze. Zelfverklaarde hogepriesters van genuanceerde sereniteit, waaronder ook farizeeërs met een cv vol vooringenomen, genadeloze karaktermoorden.

Het leek wel een column van Camps.

In Devos’ kritiek klinkt door wat ik gisteren, in de kritische reacties van lezers op mijn column, vaak aantrof: de hoeveelheid nieuws over het drama, de snelheid waarmee het werd gebracht, het loutere feit dat men aan die kade stond te wachten op het onvermijdelijke, wekte bij velen afkeer op. Maar snel willen zijn, veel nieuws brengen, daar is journalistiek-ethisch niets verkeerds aan. 'Verkeerd' zou het zijn geweest als de journalisten de speuracties hadden gehinderd, als ze zelf met een bootje het kanaal op waren gegaan, als ze de weduwe hadden belaagd, als ze de vrouw die de klacht indiende hadden belaagd, als ze haar identiteit hadden prijsgegeven, als ze het vermoeden van onschuld hadden genegeerd of integendeel de aantijgingen hadden weggelachen.

Het is een extreem bevreemdende ervaring, voor iemand wiens werk het is om berichtgeving kritisch tegen het licht te houden, om zélf met de deontologische code in de hand opgelucht vast te stellen dat deze keer alles volgens de regels verlopen is, om dan te zien dat veel intelligentere mensen als Carl Devos hebben moeten kokhalzen, dat hoofdredacteurs in de war zijn geraakt over hun eigen werk, of dat jongeren die journalist willen worden in de pen kruipen om de teloorgang van de kwaliteit aan de kaak te stellen. Dat betekent dat de deontologie ons niet meer beschermt tegen het verwijt van onethisch gedrag. Het betekent dat zelfs mensen die heel nauw betrokken zijn bij het proces van het nieuws maken, hun eigen regels niet meer voldoende achten. Het betekent dat de normen die we onszelf stellen, niet de normen zijn die van ons worden verwacht – en die we misschien zelfs van onszelf verwachten.

Maar wat verwachten we dan? Gaat het om concrete ingrepen: geen live-verslaggeving terplaatse meer? Geen updates in de loop van de dag? Geen beelden van het kanaal? Wil men niet dat zeven kranten, twee tv-zenders en alle radiostations over hetzelfde berichten? Of gaat het om een algemeen onbehagen met ‘de mediamaatschappij’ in zijn geheel, een afkeer van de overdaad ervan, van de alomtegenwoordigheid, van de jachtigheid van het moderne leven: geef mij een wereld waarin een mens mag sterven en ik daar om zeven uur in één journaal kort van op de hoogte wordt gesteld, waarna ik mijn gevoel van verbazing en schok in besloten kring kan beleven, zonder er de ganse dag met mijn neus op te worden gedrukt dat ik deel uitmaak van een gretige massa toeschouwers en commentatoren die soms hardvochtig kunnen zijn, want zulk een mens wil ik niet zijn en van zulk een samenleving wil ik geen deel uitmaken?

Als het dat laatste is: geen idee wat een journalist of een krant daar aan kan doen.

‘Hoe kunnen wij later nog het gevoel hebben een respectabel beroep uit te oefenen, als wij zelf nog nauwelijks respect krijgen van het grote publiek?’ vraagt de open brief van de tachtig aanstaande journalisten.

Dat is helder als bronwater, en tegelijk zo troebel als een vat vol droesem. Het viraal gaan van fouten: als we daar vaak genoeg op blijven hameren dan kan daar uiteindelijk wel een mechanisme tegen gevonden worden. Waarom persoonlijke informatie soms toch in de krant komt, dat kun je uitleggen. Onnozele lijstjes, daar kun je je schouders over ophalen. Als er uitschuivers gebeuren, dan is het belangrijk om die te isoleren en recht te zetten. En dat journalisten al sinds het ontstaan van de krant de reputatie van sensatiezoekers meezeulen, zoals politici die van zakkenvullers en advocaten die van leugenaars – daar moet je mee leren leven, elke beroepsgroep draagt zijn eigen negatieve cliché.

Maar als al die afzonderlijke zaken, die inhoudelijk weinig met elkaar te maken hebben en bovendien gespreid door de tijd en bij telkens andere titels voorkomen, met elkaar gaan samenclusteren, elkaar gaan oproepen, de goede voorbeelden verdringen en een fataal verbond aangaan, Dirk De Wachter-style, met een emotioneel cultuurpessimistisch onbehagen over de moderne, jachtige, overdadige maatschappij waarin alles snel-snel-snel moet en er geen tijd meer is voor rust en bezinning – dan is het verdomd moeilijk om nog antwoord te kunnen geven op de vraag: wat kunnen wij doen om het respect van het publiek te winnen?

Maar dat is natuurlijk ook geen antwoord aan tachtig ambitieuze studenten journalistiek, die denken dat dat wantrouwen zal verdwijnen als er geen beelden van het kanaal meer worden getoond, of als er in elk artikel ‘zou hebben’ had gestaan.

Doe wat je kan. Wees zo correct mogelijk. Zet fouten recht. Respecteer diegenen die het nieuws zelf beleven, maar weet dat je eerste verantwoordelijkheid ligt bij de samenleving in zijn geheel – en vaak botsen die twee.

En leg het publiek uit dat er vaak goede redenen zijn waarom journalisten doen wat ze doen. Dat niet alles wat mensen onbehaaglijk stemt aan de media, daarom ook fout was. Onbehagen maakt deel uit van het leven. 

De ombudsman houdt de redactie van De Standaard wekelijks een spiegel voor. Opmerkingen over journalistiek in De Standaard kan u melden via ombudsman@standaard.be en via www.standaard.be/ombudsman, waar u ook links vindt naar zijn Facebook- en Twitterpagina (@OmbudsDS)