Iets meer dan 15 procent (15,1) van de Belgische bevolking, ofwel 1.652.000 mensen, leeft onder de armoededrempel. Dat blijkt uit de vijfde editie van het federale Jaarboek over armoede en sociale uitsluiting, dat dinsdag werd voorgesteld in Brussel.

De belangrijkste conclusie van dat rapport is dat de aanhoudende crisis in België en Europa de armoede en sociale uitsluiting verergert. Het rapport is ook streng voor het armoedebeleid van onder meer de regering Di Rupo I, wiens maatregelen niet het beoogde effect hebben gehad.

De armoededrempel betekent concreet dat een alleenstaande het moet stellen met 1.074 euro per maand. Voor een gezin met twee kinderen gaat het om 2.256 euro per maand.

Deze definitie van armoede geeft echter maar een deel van de problematiek weer, waarschuwen de onderzoekers dinsdag. In hun rapport kwamen ze tot de conclusie dat 5 procent van de bevolking, ofwel 561.000 mensen, in een situatie van ‘materiële deprivatie’ zit. Concreet wil dat zeggen dat ze hun huur of facturen niet kunnen betalen, zich niet kunnen veroorloven om om de twee dagen een maaltijd met vlees, kip of vis te eten, hun woning niet kunnen verwarmen en geen wasmachine, televisietoestel, telefoon of auto hebben.

De crisis in België en in Europa en de strenge besparingspolitiek hebben de armoedecijfers niet rooskleuriger gemaakt. Het rapport is formeel: het redden van de euro was prioriteit, waardoor sociaal beleid en de sociale component naar het achterplan verschoven. “De maatregelen om eurocrisis te bestrijden hebben het armoederisico doen toenemen.”

Ook de hervormingen in het stelsel van de werkloosheidsverzekering die door de regering Di Rupo gradueel werden ingevoerd, hebben volgens het rapport niet het beoogde effect gehad: ze zorgden er onder meer voor dat het armoederisico van werkloze alleenstaanden zes maal hoger werd.