Maar hoe zit het met míjn job?
Tom Naegels

Dat de robotisering steeds meer aan onze jobs vreet, is een belangrijke vaststelling. Maar als er te zeer met schattingen gewerkt wordt om over één concrete functie iets te zeggen, moeten we niet laten uitschijnen dat dat wel kan, vindt Tom Naegels.

‘De traditionele dorpshoofden van België hebben geluk. De kans dat hun job over twintig jaar is overgenomen door een robot, is slechts 1,5 procent.’

Het was met een flinke dosis ironie dat een lezer me contacteerde over de lijst die online werd aangekondigd met: ‘Hoe groot is de kans dat uw job in de nabije toekomst wordt overgenomen door een robot?’

Daarin staat dus de categorie ‘traditionele dorpshoofden’. ‘Waterdragers en brandhoutverzamelaars’ trouwens ook – een kans van 85 procent op robotisering! Er is dan ook gewerkt met een internationale jobclassificatie, in sommige landen komen die banen wel voor. En een mens mag toch eens lachen, als dat straks al niet net zo goed door een computer kan worden gedaan.

Maar alle gemeesmuil terzijde: het is over dat classificatiesysteem, waarop de studie gebaseerd is die De Standaard maandag op zijn voorpagina zette (‘Computer bedreigt helft van de jobs in België’), dat de lezer ernstige vragen had. Hij had namelijk, zoals de krant hem aanspoorde, opgezocht hoe groot de kans was dat zijn baan straks obsoleet werd. Hij was filosoof van opleiding en vertaler van beroep, wat hem respectievelijk een kans van 17,3 en 21 procent op digitale jobverdringing opleverde. Maar wat betekende dat, zo vroeg hij zich af. Beide getallen waren immers niet meer dan een gemiddelde van zeer uiteenlopende beroepen.

Gemiddelden

Het zit namelijk zo. (Blijf bij mij, het is nogal technisch.) ING België, dat de studie in opdracht van De Standaard maakte, heeft niet zélf voor 426 Belgische beroepen berekend hoe automatiseerbaar ze zijn. De twee economen die de paper schreven, namen de percentages over van een Amerikaanse studie uit 2013. Alleen werkte die met 702 types banen. Om van die 702 naar 426 te gaan, heeft men een erkende conversietabel gebruikt: job A in het Amerikaanse systeem komt overeen met job B in het internationale. (De ‘traditionele dorpshoofden’ zijn een van de mogelijkheden voor ‘chief executives’.) Maar dat betekent dus dat er dikwijls twee of meer Amerikaanse jobs in één Belgische categorie terechtgekomen zijn – Amerikaanse jobs met elk een eigen percentage aan kans om geautomatiseerd te worden. De lezer die mij contacteerde, had vastgesteld dat de categorie ‘vertalers’ waartoe hij behoorde, de optelsom was van interpretersand translators, met een kans van 38 procent op automatisering, en social scientists, met een kans van maar 4 procent. Samen gaf dat een gemiddelde van 21 procent, maar wat voor nut heeft het om het gemiddelde te nemen van twee kansen die zover uit elkaar lagen?

‘We hebben inderdaad met gemiddelden moeten werken’, zegt Anthony Baert, die samen met Philippe Ledent voor ING de studie maakte. ‘Als je filosoof bent, dan zit je bijvoorbeeld in één groep met historici (44 procent kans), politicologen (3,9 procent), en andere sociale wetenschappers (4 procent). Samen een kans van 17 procent. Zo geïndividualiseerd zegt dat niet veel. Alleen maakte dat voor ons niet uit, omdat wij het potentiële effect wilden meten op de hele Belgische arbeidsmarkt. En dan zou dat samentellen van beroepen alleen een vertekening opleveren, als er veel meer historici waren dan andere sociale wetenschappers. We hebben geen reden om dat aan te nemen. Sowieso zijn het cijfers die gerelativeerd moeten worden: vooral de grootte-orde is van belang. De essentie van ons verhaal is dat automatisering, die vroeger vooral lager geschoolde jobs verving, nu ook de middengroepen bedreigt.’

Dat benadrukken ook Dominique Deckmyn en Nico Tanghe, de ‘correspondenten robotica en artificiële intelligentie’ die de artikels schreven. (Prima initiatief overigens, die correspondenten.) ‘Elke indeling is een veralgemening’, zegt Deckmyn. ‘Zelfs al zou je vijf types journalist onderscheiden, dan nog ben je jobs aan het samengooien die niet identiek zijn.’

‘We beseffen dat er kritiek bestaat op de onderzoeksmethode en dat de resultaten met omzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd’, zegt Tanghe. ‘Dat hebben we in het stuk ook geschreven. Voor mij is het minder van belang hoeveel jobs er precies zullen verdwijnen, het gaat om de onderliggende trend: de verdere polarisering van de arbeidsmarkt, waarbij routinejobs steeds meer vervangen worden door rotklussen of topjobs. Ik hoop dat de ING-studie wat dat betreft een eyeopener is, en dat er ook in ons land, net als in Duitsland en Nederland, een debat over gevoerd wordt.’

Ik ben het met Tanghe, Deckmyn en Baert eens dat de kernboodschap van het verhaal – computers zijn zo slim worden dat ze, anders dan vroeger, nu ook de taken van hogeropgeleiden kunnen overnemen, en dat is potentieel een bedreiging voor de middengroepen op de arbeidsmarkt – relevant en interessant is. Bovendien besteden de artikels zelf veel ruimte aan het kaderen en relativeren van de bevindingen: wat is de belangrijkste kritiek erop, wat mag je er niet uit afleiden?

Maar nieuws blijft natuurlijk nieuws. Kranten zoeken naar manieren om de lezer persoonlijk te betrekken bij een verhaal dat anders academisch dreigt te blijven. Niet alleen online kon je checken welke kans ‘uw job’ liep om te verdwijnen, ook op papier zegt de robot in de illustratie: ‘Welk risico loop ik dat een robot over 20 jaar mijn job overneemt?’ En in de tekst keert het ook een aantal keren terug: ‘Hoe groot het risico is dat uw job loopt, leest u...’

En daar ben ik het met de lezer eens: de ING-studie werkt te zeer met schattingen en gemiddelden, om de resultaten zo concreet te kunnen toepassen.

De ombudsman houdt de redactie van De Standaard wekelijks een spiegel voor. Opmerkingen over journalistiek in De Standaard kan u melden via ombudsman@standaard.be en via www.standaard.be/ombudsman, waar u ook links vindt naar zijn Facebook- en Twitterpagina (@OmbudsDS)