Israël schond humanitair recht op Gazastrook
Foto: Photo News

Israël was zich er wel degelijk van bewust dat het offensief in de Gazastrook afgelopen zomer burgerslachtoffers zou maken. Dat stelt de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem. De beslissing van de Israëlische regering om bombardementen uit te voeren op huizen en burgerinfrastructuur ging in tegen het internationaal humanitair recht, zo luidt het in een rapport van de organisatie.

De organisatie onderzocht een aantal specifieke incidenten, waarbij in totaal 606 Palestijnen om het leven kwamen. Volgens het rapport waren de meeste slachtoffers gewone burgers. ‘Meer dan 70 procent was jonger dan 18, ouder dan 60 of vrouw.’

‘Een van de kenmerken van het conflict in de Gazastrook, is het grote aantal aanvallen op woningen, die verwoest werden terwijl de inwoners zich nog altijd in het gebouw bevonden’, klinkt het in het rapport. En dat is ‘het gevolg van een beleid dat geformuleerd werd door regeringsverantwoordelijken en de legertop’.

Volgens B’Tselem gebruikte het leger een veel te ruime definitie van de ‘militaire doelwitten’ die geviseerd konden worden bij een luchtaanval. Ook de aanvaardbare ‘collateral damage’ werd veel te ruim geïnterpreteerd, klinkt het. Tot slot werd het systeem om burgers te waarschuwen inefficiënt en onvoldoende geacht.

‘De verklaringen van burgers en ooggetuigen tonen een verschrikkelijk beeld’, aldus nog de mensenrechtenorganisatie. B’Tselem erkent dat het voor het Israëlische leger een hele uitdaging is om in de extreem dichtbevolkte Gazastrook de strijd met Hamas aan te gaan, maar dat geeft het land niet het recht om het internationaal humanitair recht aan de kant te schuiven.

Tel Aviv heeft nog niet op de inhoud van het rapport gereageerd.

Bij het vijftig dagen durende Israëlische offensief kwamen in de zomer van 2014 2.300 mensen om, voor het merendeel Palestijnse burgers, volgens de cijfers van het ministerie van Gezondheid in Gaza. Aan Israëlische zijde stierven 67 soldaten en vijf burgers.