De Europese Commissie grijpt naast een schadeclaim in de zaak van een liftenkartel. De Commissie had in 2008 van de vier liften- en roltrapfabrikanten Kone, Otis, ThyssenKrupp en Schindler samen 6 miljoen euro geëist, op basis van de door haar vastgestelde kartelinbreuken. Maar de Brusselse handelsrechtbank heeft de vordering nu afgewezen, zo maakte het advocatenkantoor Clifford Chance woensdag bekend. De Europese Commissie kan wel nog beroep aantekenen tegen het vonnis.

Op 21 februari 2007 kregen vijf fabrikanten van liften een recordboete van 920 miljoen euro van de Europese Commissie vanwege kartelvorming in Duitsland en in de Benelux. Het ging om Kone, Otis, ThyssenKrupp, Schindler en Mitsubishi. Zij zouden zich tussen 1995 en 2004 schuldig hebben gemaakt aan geknoei met prijzen, het indienen van nepoffertes en de verdeling van opdrachten.

De klanten van de bedrijven, waaronder dus ook de Europese Commissie, zouden jarenlang teveel hebben betaald en spanden een procedure aan om de schade te verhalen. In het geval van de Commissie heeft de Brusselse handelsrechtbank de vordering van 6 miljoen euro maandag afgewezen.

‘Geen afdoende bewijs’

‘De Commissie heeft geen afdoende bewijs geleverd dat het kartel heeft geleid tot hogere prijzen in haar contracten met de liften- en roltrapbouwers’, zegt Clifford Chance, dat de belangen van Kone verdedigde. ‘In de context van een kartel gericht op marktverdeling, bestaat er geen vermoeden dat een kartel leidt tot hogere prijzen. De Commissie kon ook geen oorzakelijk verband aantonen.’

De Commissie kan tegen het vonnis nog beroep aantekenen, maar moet wel tussenkomen in de gerechtskosten van iedere verwerende partij ten belope van 16.500 euro.

Ook de Belgische overheid heeft destijds een proces aangespannen tegen de liftenbouwers omdat die teveel zouden hebben aangerekend. Die rechtszaak loopt nog, de pleidooien zijn gepland voor maart 2015. Maar bij Clifford Chance wijst men erop dat de uitspraak van de Brusselse handelsrechter ‘een grote precedentwaarde heeft’.

De procedure voor de rechtbank van koophandel in Brussel was de allereerste met het oog op het bekomen van schadevergoeding voor een kartelinbreuk die ooit aanhangig werd gemaakt.