Lenny, de gesjeesde Messias
Lenny Kravitz in het Sportpaleis.

Lenny Kravitz hoort bij het kransje gezegende popartiesten dat nog een oerdegelijke, technisch perfecte, lekker ouderwetse rockshow kan neerzetten. Niks nieuws, geen poeha, geen verrassingen, wél veel goeie grooves en coole poses, zo ook in het Sportpaleis.

Lenny Kravitz hoef je niet uit te leggen hoe hij een Sportpaleis moet entertainen. De Amerikaanse rockster had niet meer dan een welgemikte hipshake nodig om de zaal helemaal gek te maken. Op zijn vijftigste (in Antwerpen zag hij er twintig jaar jonger uit) beheerst hij alle trucjes uit de showbizz. Kravitz, één lillende brok sex in een leren broek, plaagde en behaagde, met greatest hits én met zijn pelvis, tot plezier van de talrijke extatisch krijsende euhm... niet meer zo jonge meisjes. Om maar te zeggen: het publiek is met Kravitz meegegroeid maar hij heeft de voorbije jaren weinig nieuwe fans aangetrokken.

Nu boog hij door zijn knieën als een hoofse jonkheer die ons met diepe stem “welcome” heette, dan weer huppelde hij over het podium als een cartooneske pooier uit de seventies. Niet voor niets heet zijn nieuwe plaat Strut, een krols loopje dat hij als geenander beheerst. Die nieuwe plaat is niet meteen de meest zinderende hoogvlieger uit Kravitz’ carrière - we willen beleefd blijven - maar heeft tot nog toe een paar niet onaardige singles gebaard waaronder ‘The chamber’, schurende discorock met het kitschgehalte van John Paul Youngs’ ‘Love is in the air’. In Antwerpen speelden Kravitz en zijn groepje huurlingen het nummer in het pikdonker terwijl het publiek zijn gsm-lampjes door de kuip liet flikkeren.

Toegegeven, Kravitz’ band was geenszins het zoveelste inwisselbare troepje livemuzikanten. De bassiste Gail Ann Dorsey is een vertrouwelinge van David Bowie, gitarist Craig Ross speelt al sinds begin jaren negentig bij Kravitz en heeft zijn Slash-achtige gitaarsolo’s tot in de puntjes geperfectioneerd. Een gospelkoortje en drie koperblazers zorgden voor een vette lik inktzwarte soul. Goeie band, maar Kravitz pakte er te gretig mee uit. Zo werd ‘Always on the run’ halverwege opengebroken voor jazzy improvisatie waarin trompet en sax elkaar verdrongen, waarin de drummer haar groove liet verwateren en ons tenslotte vergastte op - néééééé! - een drumsolo, de meest gevreesde der clichématige kunstgrepen uit het Grote Showbizzboek. Goedgoed, Kravitz houdt van een jam op z’n tijd en van zijn vorige concerten herinneren we ons nog eindeloze marathonversies van ‘Let love rule’, dus what else is new? Maar als al dat gejam niks toevoegt aan de song of aan de uitvoering hoeft hij er ons niet mee lastig te vallen.

Nog meer detailkritiek waar de fans ons om zullen vervloeken? Mja, een bloedeloos ‘Sister’ haalde de vaart uit de show, het nieuwe ‘New York City’ kwam niet verder dan slaperige tavernefunk en gelijkaardige zwakke broertjes als ‘Dirty white boots’ etaleerden niet onmiddellijk de geile, funky Lenny waarmee wij zijn opgegroeid. Bovendien liet hij de felste zangpartijen over aan zijn achtergrondzangeressen en schuwde hij de soulvolle oerkreten opvallend vaak. Case in point: ‘Always on the run’ waarbij het publiek het refrein overnam en waarin Kravitz de ruigste “Yeahs!” wegliet.

Ach, het is de totaalervaring die telt en die was best goed. ‘Dancin’ til dawn’ eerde prachtig The Stones, ‘I belong to you’ en ‘Fly away’ slaagden er in met hun lome midtempogroove een verzengende party op gang te zwengelen. ‘Let love rule’ diepte de hippie in u en mij op en Kravitz ontving onze liefde met open armen, als een gesjeesde messias: “The love is right here in Antwerp, Belgium”.

Bij ‘Are you gonna go my way’ spatte het Sportpaleis haast uit elkaar: stampende retrorock met de vibe van een op hol geslagen confettikanon. Wie tuk is op vakmanschap kloeg geen seconde.

Gezien op 21 november in het Sportpaleis, Antwerpen

U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig