Woedend is lang niet kwaad
Tom Naegels

Verliest een woord als ‘woedend’ niet aan waarde als het bij het minste conflict opduikt in de berichtgeving, vraagt een lezer. En wordt de wereld niet harder van al die opgeblazen kwaadheid in de krant? ‘t Is maar hoe je het leest, vindt Tom Naegels.

Vaak zien lezers zaken die je zelf niet meer opmerkt. Zo mailde een lezer me dat hij zich ergerde aan de inflatie van emoties in artikels. Mensen zijn het nooit zomaar oneens, of maken bezwaren tegen zus of zo – nee, ze zijn aldoor ‘woedend’.

Die lezer heeft gelijk. De afgelopen weken las ik in De Standaard verscheidene artikels waarin werd beweerd dat iemand woedend had gereageerd, terwijl die reactie, als je ze dan las, net erg beheerst bleek te zijn. Bijvoorbeeld toen een Colombiaans damesteam wielrennen aan de start verscheen in een vestimentaire trompe-l’oeil, die de indruk wekte dat de vrouwen met ontblote schaamstreek zouden koersen. ‘ “Blote” wieleroutfit maakt UCI woedend’, kopte de site (DS online 15 september) .

De letterlijke woorden van voorzitter Brian Cookson luidden: ‘Dit is onaanvaardbaar volgens om het even welke fatsoensnorm.’ Dat klinkt eerder bekakt dan kwaad.

De fietsers van Berchem reageerden woedend omdat ze niet over een wandelbrug over de Ring mogen fietsen. Ik fiets zelf vaak over die brug – eerlijk: ik heb daar nog nooit iemand zien trappelen van razernij (DS 7 oktober) .

Matthias Schoenaerts, die was dan weer ‘woedend om boek over zijn vader’ (DS 26 september) . Gek genoeg kwam Matthias Schoenaerts nergens aan het woord – wel zijn broer, die over de reactie van zijn broer vertelde. Maar, zo schreef de lezer (die dit artikel als aanleiding nam), die broer was aanwezig op de persconferentie, heeft dus blijkbaar besloten om het boek mee te promoten, dat bovendien geschreven werd door Stan Lauryssens, een schrijver die wel vaker op een stereotiepe manier aan zelfpromotie doet. Bijvoorbeeld door te doen alsof een beroemd acteur kwaad op hem is. De enige eigen reactie die we van Matthias Schoenaerts bezitten, is een lange tekst die hij in De Morgen over zijn vader schreef. Van woede is daarin geen sprake.

En kijk, de federatie voor de uitzendsector zou woedend hebben gereageerd op het ABVV vanwege die one day interim-hoax (DS 24 september) . De bouwsector is ‘woedend op Europese Commissie’ (DS online 25 september) . Uiteraard is er ook ‘woede’ bij de kunsthuizen wegens de besparingen. (DS online 25 september) .

Facebook nodigde zelfs ‘een woedende groep travestieten’ uit voor een gesprek op hun hoofdkantoor (hopen dat daar beelden van zijn – DS 20 september ).

En dat de familie van James Foley woedend is op de Amerikaanse overheid (DS online 12 september) , daar kan ik me nog iets bij voorstellen – maar als je het interview bekijkt met Foleys broer, waar het artikel verslag van deed, dan kiest die met beheerste stem uitdrukkingen als bothers me to the core. De interviewster lijkt kwaaier dan hij.

What the fuck???

Er spelen hier twee tegengestelde wetten van publieke communicatie. De eerste luidt: wie kwaad wordt, verliest. Wie een boodschap wil overbrengen in een interview, een toespraak of een publiek debat, die moet erop toezien dat hij te allen tijde zijn zelfbeheersing bewaart. Zelfs als mensen wel degelijk woedend zijn, zullen ze dat publiek niet laten merken.

Redacties weten dat. Dus gaan ze die beheersing decoderen. Als Brian Cookson ‘onaanvaardbaar’ twittert, dan is dat Cooksonees voor ‘What the fuck???’.

Voor een krant is het bovendien wél interessant om een conflict net iets emotioneler en heftiger te maken dan het wezenlijk is. Omdat dat de aandacht aanscherpt. Daar wordt vaak smalend over gedaan, maar het is een psychologische wetmatigheid. Als twee van mijn buren woedend zijn op elkaar, ga ik uit mijn raam kijken. Zijn die buren enkel verbolgen, dan niet.

Is het erg? Er zijn lezers die me schrijven dat die voortdurende focus op conflict en emoties een impact heeft op de samenleving: je zou er harder van worden. Dat zijn de taalrelativisten: de woordkeuze heeft een impact op ons wereldbeeld, wat wij lezen bepaalt hoe wij ons voelen. Het omgekeerde is ook mogelijk: dat de context de interpretatie bepaalt. Als ik hoor dat mijn lief, mijn moeder of mijn baas ‘woedend’ op mij is, dan weet ik dat ik in de problemen zit. Er zal gescholden worden en geslagen, de krachttermen zullen aan de anabolen hebben gezeten.

Maar als ik lees dat hervormingen in het Hongaarse juridische apparaat ‘de Europese woede opwekten’, dan weet ik: och ja, dat is een stijlfiguur.

Ik geloof eerder in het laatste.

INFO

De ombudsman houdt de redactie van De Standaard wekelijks een spiegel voor. Opmerkingen over journalistiek in De Standaard kan u melden via ombudsman@standaard.be en via www.standaard.be/ombudsman, waar u ook links vindt naar zijn Facebook- en Twitterpagina (@OmbudsDS)