Tackelt hervorming ongelijkheid?
Foto: BELGA

De onderwijshervorming die op til staat in het secundair onderwijs, probeert de ongelijkheid te tackelen door de eerste twee jaren om te vormen tot een ­brede eerste graad, die niet meer vasthangt aan de traditionele ASO-, TSO- en BSO-structuur. Zal dat ook lukken?

‘Het is moeilijk in te schatten hoe de hervorming zal worden doorgevoerd’, zegt Steven Groenez (KU Leuven). ‘Maar zeker is dat een hervorming in het secundair onderwijs rijkelijk laat is. Het begint al in de lagere school.’

Ides Nicaise (KU Leuven) noemt de hervorming een ‘eerste voorzichtige stap’. ‘We zetten kinderen op te jonge leeftijd op een spoor. Op 12-jarige leeftijd kennen mensen hun talenten nog niet.’

Ongelijke buurten = ongelijke scholen

Ook Oeso-expert Dirk Van Damme, die als kabinetschef van toenmalig minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (SP.A) de hervormingen in gang zette, is die mening toegedaan. ‘De structuren moeten veranderen. Hoe vroeger men een studie­keuze laat maken, hoe groter de impact van de sociale achtergrond. Ik ben gewonnen voor een flexibele studiekeuze tussen 12 en 14 jaar. In die zin is het huidige compromis zo slecht nog niet.’

Toch is de hervorming niet ­zaligmakend, weet Van Damme. ‘Heel erg optimistisch over het effect op lange termijn ben ik niet. Uiteindelijk wordt de schoolkeuze nog altijd op de leeftijd van 12 jaar gemaakt. En die keuze is sterk sociaal bepaald. De ongelijkheid tussen de scholen is ook een gevolg van de ruimtelijke segregatie. Zolang buurten ongelijk zijn, zullen scholen dat ook zijn.’