Belastingkampioen of herverdelingskampioen?
Tom Naegels

Hoera, ons land is de kampioen in Europa als het op herverdelen neerkomt. Of boe, ons land heeft de hoogste belastingdruk ter wereld? Het zijn twee kanten van dezelfde medaille, schrijft Tom Naegels, maar vaak ontbreekt de ruimte om beide te belichten.

Het was een opsteker voor ons land, die voorpagina van gisteren. ‘Niemand herverdeelt beter dan België’, leerde eigen onderzoek, in het kader van een reeks over ongelijkheid. Binnenin: ‘België is herverdelingskampioen’ (DS 9 september) . Dat zijn positieve, warme termen. België doet het goed. En dat komt, zo lees ik, dankzij de sociale zekerheid en de progressiviteit in de belastingen, die de weliswaar groeiende inkomensongelijkheid weer aftopt.

Maar wacht eens. Zei ik ‘dankzij’? Is de belastingdruk in België dan niet een van de hoogste ter wereld? Ook daar heb ik al meerdere stukken over gelezen in De Standaard. Ja hoor: ‘België verliest weer concurrentiekracht’ kopte de afdeling Mens & Economie zes dagen geleden (DS 4 september) . ‘Zwaktes’, zo staat er vet en streng: ‘Te veel overheid en lasten.’

Op 4 juni titelde deze krant: ‘Belgisch belastingsysteem moet evenwichtiger en billijker.’ Op 22 mei, nog geen twee weken ervoor, schreef de krant weer: ‘Belgische economie zakt weer verder weg’. Het VBO noemde de situatie ‘onrustwekkend’ en somde de zwakke punten op. Op één, jawel: de hoge belastingdruk.

Ik vind zelfs een stuk waarin die ‘herverdelingskampioen’ van gisteren zijn tegenhanger vindt in ‘België alweer belastingkampioen’ (DS 27 maart 2013) .

Dat zijn geen warme, positieve termen. Toch gaat het in essentie over hetzelfde.

‘Het gaat niet echt om een tegenstelling’, zegt redacteur Jan-Frederik Abbeloos, auteur van zowel het voorpaginastuk van gisteren als het stuk van 4 juni. ‘Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Het hoge overheidsbeslag beknot de groei, of dat is toch de theorie, maar ze doet wel de ongelijkheid dalen. En dat is dan de inzet van het ideologische debat dat vandaag gevoerd wordt: is het niet beter om wat gelijkheid op te offeren, als dat de groei bevordert? Of kan het allebei?’

De medaille is in twee gehakt

Mijn punt is dat de brede context van dat fundamentele debat vaak uit het oog verdwijnt, omdat in de diverse stukken afwisselend de ene en de andere kant van de medaille belicht wordt. In de artikels over de dalende competitiviteit van de Belgische economie is er van ongelijkheid nooit sprake. Tegelijk wordt er wél veel – maar dus: apart – over het thema bericht, met het afgelopen jaar een Economie-bijlage over het World Economic Forum in Davos (dat in het teken stond van ongelijkheid), met interviews met Rebecca Blank, tal van stukken over Thomas Piketty, een Oeso-rapport over ongelijkheid. ‘Ongelijkheid is de new kid in town in de economische wetenschap’, is de bovenkop van een reportage over de bijeenkomst van Nobelprijswinnaars economie in Landau, op 23 augustus, waar ook nog een interview met Joseph Stiglitz aan wordt gekoppeld. En nu is er dus deze reeks, gebaseerd op eigen onderzoek, die doet wat Piketty niet gedaan heeft: data over ongelijkheid voor België verzamelen en analyseren.

De medaille is in twee gehakt. Lezers vermoeden dan snel ideologische voorkeuren. ‘Werden ze opgepikt door twee rivaliserende redactieleden?’ vroeg er een, toen ik twee artikels met verschillende invalshoek op Facebook naast elkaar zette. (Het ging toevallig om dezelfde redacteur.) Een lezer dreigde er gisteren zelfs bij mij mee om zijn abonnement op te zeggen, omdat hij de krant ‘een socialistische spreekbuis’ vond, vanwege de keuze voor de positieve voorpagina. Die lezer kan zijn hart ophalen aan de andere reeks artikels.

Ruis

Dat heeft te maken met de inhoudelijke afbakening, die eigen is aan een krantenstuk. Als er nieuwe cijfers binnenkomen over belastingdruk of dalende competitiviteit, dan is dat de focus van het stuk en leidt het tot hinderlijke ‘ruis’ om daar nog eens bij te zetten: ‘Ja maar ho, die hoge belastingen maken wel dat de ongelijkheid minder hoog is dan elders.’ (Er is vaak ook geen plaats voor.) En als je een reeks maakt over ongelijkheid, geldt de omgekeerde redenering. Ook de keuze van de experts die commentaar geven, lijkt daardoor bepaald. Schrijf je over belastingdruk, bel het VBO. Schrijf je over ongelijkheid, bel Ive Marx. Het resultaat is wel dat het ene of het andere ‘kamp’ in het ideologische debat zich gesterkt voelt door de gekozen frame van dat ene stuk, en dat de onbesliste lezer nu eens in de ene, dan in de andere richting wordt gestuurd.

Online bestaat de mogelijkheid om die stukken weer bij elkaar te brengen, en de grote inspanningen van de redactie om uiteenlopende aspecten van de Belgische economie te belichten, tot een synthese te brengen. De Standaard doet steeds meer inspanningen om artikels die bij elkaar horen, ook aan elkaar te linken – bij deze reeks is dat het geval. Maar er blijven grote lacunes. Het dossier linkt niet naar gerelateerde stukken over fiscaliteit, onderwijs of sociale zekerheid, en bevat lang niet alle stukken die onlangs over het onderwerp zijn verschenen. De lezer die de brede context van zulke complexe onderwerpen zoekt, moet handmatig door het archief ploegen – en blijft vaak achter met het (over de lange termijn) onterechte, maar frustrerende gevoel dat zijn krant hem onvolledig heeft geïnformeerd.