De weg naar België  loopt langs Zweden
Foto: Photo News

Het is best ironisch, schrijven Raf Geenens, Stefan Rummens en Stefan Sottiaux, dat uitgerekend een regering met de N-VA als grootste partij aantoont dat je federaal een coalitie kunt vormen op basis van inhoudelijke overeenkomsten, wars van communautaire tegenstellingen.

Wie? Doceren respectievelijk ethiek en rechtsfilosofie, moraalfilosofie en grondwettelijk recht aan de KU Leuven

Een verrassend groot aantal commentatoren, grondwetspecialisten en politicologen is het erover eens dat de Zweedse coalitie, als ze er komt, zal lijden onder een ernstig gebrek aan democratische legitimiteit. In Le Soir hebben onder meer Francis Delpérée en Marc Uyttendaele dat standpunt verdedigd, maar ook de Nederlandstalige politicologen Nicolas Bouteca (dS Avond 20 augustus) en Marc Hooghe treden hen bij. Geen van hen beweert dat deze coalitie formeel gezien ongrondwettig zou zijn, maar het gebrek aan electoraal draagvlak aan Franstalige zijde zou volgens hen ingaan tegen de ongeschreven principes die essentieel zijn voor de harmonie en continuïteit van het Belgische systeem.

Die stellingname is in zowel constitutioneel als politiek opzicht ongegrond. De coalitie zou integendeel symbool kunnen staan voor de manier waarop in een volwassen federaal land een meerderheid tot stand moet komen, namelijk op basis van ideologische (in dit geval sociaal-economische) overwegingen en niet op basis van een communautaire logica.

Confederale logica

In een federaal land volstaat het dat de federale regering kan bogen op de steun van de meerderheid van de (federale) bevolking. De critici van de Zweedse coalitie stellen nu dat dat niet voldoende is en dat de Belgische regering ook een meerderheid moet hebben in elk van de deelstaten afzonderlijk. Zij onderschrijven daarmee echter expliciet een confederale logica: in een confederatie moet het beleid immers steeds berusten op een soort consensus tussen de deelstaten.

Met hun kritiek stappen zij zo paradoxaal genoeg mee in de argumentatie waarmee Bart De Wever zijn partij groot heeft gemaakt. De voorbije jaren heeft De Wever ten overvloede herhaald dat België geen echte democratie is, maar in wezen bestaat uit twee democratieën. Het Belgische niveau is in zijn ogen een soort ‘diplomatieke vergadering’ waar vertegenwoordigers van de twee gemeenschappen elkaar ontmoeten en samen beslissen, niet bij meerderheid maar bij wederzijds veto. Zijn pleidooi om België om te vormen tot een confederatie is een pleidooi om die toestand ook grondwettelijk te verankeren.

Het feit dat net die mensen die het voortbestaan van België gunstig gezind zijn, weigeren om de andere zijde van de huidige coalitievorming te zien, is dan ook bevreemdend. Dat er op het Belgische niveau een meerderheid wordt gevormd op basis van inhoudelijk-ideologische overeenkomsten, wars van taal of andere identitaire loyauteiten, zou immers gelezen kunnen worden als een teken dat dat bestuursniveau nog steeds functioneert als een normale democratische politieke gemeenschap waarin de minderheid bereid is zich neer te leggen bij het beleid dat wordt uitgestippeld door de democratische meerderheid. Het klopt – voor alle duidelijkheid – dat de situatie substantieel anders zou zijn als een federale meerderheid haar macht zou gaan gebruiken om essentiële rechten van de minderheid aan te tasten. Maar dat lijkt niet aan de orde. Tussen de coalitiepartners is afgesproken om alle communautaire thema’s en eisen buiten deze regeerperiode te houden. Bovendien bestaat er nog altijd een heel aantal constitutionele beschermingsmechanismen die de cruciale belangen van alle gemeenschappen in dit land afdoende vrijwaren.

Belgische sfeer

Het is ironisch dat net de N-VA, als vaandeldrager van het confederalisme, een regering op de been brengt die toont dat België wel degelijk nog steeds als één politieke gemeenschap kan functioneren. Een Zweedse regering zou immers demonstreren dat een centrum-rechtse meerderheid in het land haar sociaal-economische visie daadwerkelijk kan vertalen in een federaal beleid zonder daarbij gehinderd te worden door communautaire blokkeringen. Bovendien zou een Zweedse coalitie de Belgische publieke sfeer potentieel kunnen versterken. Voor het eerst sinds lang zou de meest prominente politieke tegenstelling op federaal niveau opnieuw de links-rechts tegenstelling zijn, een tegenstelling die dwars staat op de communautaire tegenstellingen en waarbij zowel de voor- als de tegenstanders van die nieuwe coalitie zich over de taalgrens heen zullen moeten vinden.

Het ontstaan van een dergelijke federale politieke dynamiek vereist wel dat diegenen die oppositie voeren tegen de Zweedse regering, dat ook doen in links-rechts termen en niet terugvallen op communautaire categorieën. De grondwetsspecialisten die onlangs in Le Soir de legitimiteit van de Zweedse coalitie in twijfel trokken, zijn academici waarvan het geen geheim is dat ze dicht aanleunen bij de toekomstige oppositie (zoals Le Soir ook zelf opmerkt). Hun kritiek was allicht deels ingegeven door een oprechte democratische bekommernis. Maar als daarmee tegelijk de grote lijnen worden uitgezet voor de manier waarop de oppositie tegen een Zweedse regering zal worden gevoerd, dan zou dat een gemiste kans zijn. Dit soort oppositie zou merkwaardig genoeg zelf bijdragen aan het instandhouden van een confederale reflex, net op het moment dat Bart De Wever aan het aantonen is dat België wel degelijk nog als een normaal federaal land kan functioneren. Begrijpe wie begrijpen kan.