Koningin Elisabethwedstrijd dag 4. Zuid-Koreaanse Sumi Hwang wint, knappe tweede plaats voor Belgische Jodie Devos
vlnr: Jodie Devos, Hwang Sumi en Sarah Laulan Foto: epa

De Zuid-Koreaanse sopraan Sumi Hwang heeft de Koningin Elisabethwedstrijd voor zang gewonnen. De Belgische sopraan Jodie Devos eindigde tweede.

Het sommetje werd gemaakt, het applaus was hartgrondig: de Koreaanse sopraan Hwang Sumi wint deze editie van de Elisabethwedstrijd.

Met Azië aan de top, een Belgische finalist op twee (Jodie Devos) en een Franse mezzo (Sarah Laulan) in de hoogste rangen lijkt het concours de uitslag van 2011 losjes te kopiëren. In de wereld van de Elisabethwedstrijd is het een ijzeren wet: meerduidigheid kenmerkt de eindscore. Wat is de betekenis van een resultaat dat niet gemotiveerd wordt, maar beklonken is door sec cijferwerk? Wie het weet, mag het zeggen.

Nu al staat vast dat de editie 2014 niet de meest gedenkwaardige is. Het concours kwam traag op stoom en kon geen echte revelatie tevoorschijn toveren. Dat er in de erehaag geen plaats was voor de Duitse sopraan Daniela Gerstenmeyer, is jammer voor wie daar belang aan hecht. Maar dat het steeds onduidelijker wordt naar wat soort zanger deze wedstrijd op zoek is, roept ernstige vragen op. Morgen, als het stof is neergedwarreld, wagen we ons aan een analyse. Maar eerst nog een tromroffel voor de laatste drie finalisten. 

Potjeslatijn

Van de twee tenoren die tot in de finale raakten, mocht Kim Seung Jick eerst aan startpositie. De Koreaan beschikt over een fraaie piepkuikentenor. Over zijn vertolking van Strauss’ Allerseelen hing het intieme floers van een liedrecital. Kim, wiens stem allengs overvleugeld raakte door het orkest, bracht elk vers als een mooi boogje. Maar de dictie was belabberd en de kleurendoos bleef dicht. Toen daarna de aria van Rodolfo twee maten ver was, piepte er al een noot. Ook verderop in Puccini kreeg Kim het benauwd, waardoor het orkest met zijn monoloog aan de haal ging. Veel te beleven was er overigens niet. De dichter die Kim neerzette, was er niet een die overliep van schoonheidsidealen en creatiedrang, maar een bedenker van kalenderversjes.

Kims keuze voor Rachmaninov was origineel, maar deze heimweedronken terugblik naar de Georgische steppes klonk allesbehalve gepijnigd. De subtiele pauzes waarmee zanger en orkest elkaar tot muziek aandrijven, kwamen nogal ingestudeerd over. Kim liet dezelfde dromerige aanpak los op Salut, demeure chaste et pure, wat een mooi effect opleverde. De mijmeringen van Faust aan het adres van Marguerite wist Kim ditmaal wel samen te smelten met de muziek. De tenor bereikte met nipt de eindstreep, nadat eerst een topnoot in zijn keel verdampt was. Verdi’s Ingemisco ten slotte zong hij in dik aangezet potjeslatijn. Ook al kon Kim de merites van zijn stem niet aanvullen met muzikaal intelligent gebruik ervan: deze zanger kan zijn prijsgeld uitbesteden aan een zangpedagoog.

De Belgische sopraan Sheva Tehoval trad aan als publiekslieveling en maakte die rol helemaal waar. Net als winnares Hwang Sumi opende ze met Quel guardo, il cavaliere uit Don Pasquale. Interessant om beide versies naast elkaar te leggen. Terwijl Sumi grote sier maakte met perfecte capriolen in bedenkelijk Italiaans, bezat Tehoval beperkter stemmateriaal, maar wist ze perfect wat ze stond te zingen. Het gebrek aan keelklankbeheersing en dynamische controle ving ze slim op met een voortreffelijke articulatie, waardoor een levensechte Norina op scène stond. Ook Händels Piangerò la sorte mia hadden we al eens eerder gehoord. In tegenstelling tot Gerstenmeyer echter werkte Tehoval zich ordelijk bewogen door het verdriet van Cleopatra. De vocale sputtertjes van het middendeel werden furieus maar drammerig afgehaspeld.

Met Je veux vivre kwam Tehoval opnieuw aan loltrappen toe. Knap lastig om het roestige ritme van deze klassieker te doen sprankelen. De sopraan lukte erin de dansante esprit van Juliette te handhaven, maar de puberextase die daarbij hoort, werd niet voelbaar. Haar versie van Rusalka’s Maanlied was de minst gekunstelde, meest onbevangen die we deze week hoorden. Orkest en sopraan zaten hoorbaar op een lijn, en Tehoval maakte in de slotregel een mooie trek vanuit spreken naar zingen. Rosina's Una voce poco fà is een makkelijke inkopper, zelfs wanneer je – zoals Tehoval – de loopjes en trillers niet kan afboenen tot ze gaan blinken. 

Knellende schoen

Laatst aan zet was de Chinese tenor Shao Yu, die met een curieus, maar weloverwogen programma een vierde plaats wegkaapte. Yu bezit een ruimer bereik dan dat van zijn Koreaanse stemgenoot, en ook zijn volume laat toe om zowel fluistering als jubelzang te projecteren. Keerzijde is een tamelijk pregnante vibrato, waarmee hij niet iedereen voor zich zal innemen. Yu’s stem leek nog niet paraat toen zijn eerste aria, Mit Würd und Hoheit angetan uit Die Schöpfung, inzette, maar kwam gaandeweg op temperatuur. Het werd een stemmige maar weinig glanzende aria, helder gearticuleerd. Yu had de noten keurig op volgorde, ondanks een slippertje in het laatste melisme. 

Horch, die Lerche singt im Hain is een fijne, originele keuze. Yu kon zijn vibrato al wat beter doseren, al zat er weinig variatie in de manier waarop hij dit levenslied inkleurde. Ook Vainement, ma bien aimée hoor je tegenwoordig nog maar zelden. Yu maakte een goedgehumeurde beurt in vlekkeloos Frans. Heel wat minder geslaagd was Dies Bildnis ist bezaubernd schön: met twijfelachtige noten, strakgesnoerde melodieën en een timbre als een knellende schoen vlakte Yu alle essentie van deze aria uit. Kuda, kuda begon even wankel, met een inzet die zo dubieus was dat het leek alsof eerst een twaalftoonsreeksje moest worden voorgesteld. Yu werkte de dichterlijke tristesse van Tsjajkovski’s neervallende frasen af met de eentonigheid van smeltende sneeuw. Alsof Lensky op dat ogenblik al neergeschoten is. Gelukkig voor hem is hij er door de jury niet voor afgestraft.