Koningin Elisabethwedstrijd dag 3. Van priklimonade tot alcoholvrij drinklied
Chiara Skerath Foto: Photo News

Knap hoor, hoe de jongens van de televisie een klassiek concert op je netvlies flikkeren. Maar hoe dan ook is het beeld vervormd: in de concertzaal beweegt namelijk niks. Alles staat er stil, behalve de muziek. Wie luistert naar klassiek, kijkt met zijn oren.

Voorbijflitsende naambordjes, om de zoveel seconde een beeldwissel, even inzoomen op die ene muzikant daar, expressieve close-ups van een zingende smoel en dan, hup, een handcamera pal boven het klavecimbel: het is best even schrikken wanneer je via internet een stukje van de finale herbekijkt. De televisiemelomaan beleeft de Elisabethwedstrijd duidelijk anders dan wie in het rode pluche van Bozar zit. Anders, dus ook slechter? Foute vraag.

Wie televisie maakt, wil vooral dat je kijkt. Visuele energie genereren, daar komt het op neer. Knap hoor, hoe de jongens van de buis een klassiek concert zonder verlies van ernst op je netvlies flikkeren. Maar hoe dan ook is het beeld vervormd: in de concertzaal beweegt namelijk niks. Alles staat er stil, behalve de muziek. Stelling: wie luistert naar klassiek, kijkt met zijn oren.

Fietskettingen

Als het noppes wordt met de twee Belgische sopranen op het concours, is er altijd nog Chiara Skerath. De Zwitserse sopraan van Leuvense komaf bezit een friszoete stem die zelfs tot aan het andere eind van de zaal geurt naar priklimonade. Ze opende haar finaleprogramma met drie liederen uit Brittens Les illuminations. In Villes gaf ze een fraaie draai aan Rimbauds exuberante grootstadfantasie, het forenzen tussen klokkentorens en sterren in Phrase had ze voortreffelijk opgebouwd. Het duet met soloviool in Antique zat wat strak, maar was mooi gemotiveerd.

Het is geen cadeau om Brahms te zingen nadat een andere kandidate dat reeds verbluffend deed. Anders dan Daniela Gerstenmeyer kwam Skerath in de sopraanaria uit Ein Deutsches Requiem niet aan verhelderen toe. In schimmig Duits werkte ze zich doorheen de partij, die bar weinig reliëf meekreeg. De aria uit La bohème bezat een mild geaffecteerde voordracht, al is de temperatuur op Mimi’s zolderkamertje toch flink wat graadjes kouder dan Skerath ons deed geloven. In het maanlied uit Rusalka bracht ze de retoriek terug tot smeken in plaats van mijmeren. Die keuze is verdedigbaar, en Skerath raakte er nog een heel eind mee weg ook. Maar die zweverige nootjes, dat kan natuurlijk niet.

De Koreaanse bariton Yoo Hansung zal vandaag wel opgestaan zijn met een kater. Hij maakte namelijk een kapitale fout: een programma samenstellen dat met de zwaarte van een guillotinemes op je keel afstevent. Al meteen in zijn aria uit Bachs Weihnachtsoratorium viel het op: deze zanger wil kost wat kost behagen. Zijn romantisch ronkende bariton deed alle subtiliteiten in rook vervliegen. Topnoten werden fors aangezet en de barokke notenslingertjes werden aangetrapt alsof het roestige fietskettingen waren. De liefdesverklaring van prins Jeletski uit Schoppenvrouw is zo’n stuk dat onderhuids stijf staat van hoop en vrees, maar Hansung maakte er een soort serenade van.

In de Mahler die volgde, hield Hansung zich nog net staande, maar wat een verschil met de gewetensangst die Sarah Laulan eergisteren neerpootte. Een doodbrave, degelijke afscheidsaria uit Faust werd gevolgd door een alcoholloze versie van het drinklied uit Don Quichotte à Dulcinée. Hansung hoopte iedereen voor zich in te pakken met het flamboyante Largo al factotum, maar eenmaal halfweg knakte zijn keel: het voorspelbare resultaat van ondoordacht selecteren. Geen bravo, bravissimo voor deze barbier.

Slappe was

Wie wél een slim programma samenstelde, was Hansungs landgenote Hwang Sumi. De sopraan opende met Italiaanse tuttifrutti en eindigde met Germaanse Weltanschauungsmusik: zowat het omgekeerde parcours van de bariton. Ook clever: Sumi koos niets wat niet voor stem geschikt was. De Koreaanse bezit namelijk een royaal galmende sopraan die moeiteloos door een pompend orkestapparaat priempt. In de stukken die ze koos, kon het geprofileerde volume van haar stem ten volle uitspelen.

Sumi opende met Quel guardo, il cavaliere uit Don Pasquale. Beweeglijk, vol kleine accentjes en getimede sprintjes dwong ze meteen een open doekje af. Dat ze zich daarbij bediende van theatrale maniertjes om het publiek op haar hand te krijgen, is niet zo erg. Maar wat Sumi deed, was een farce. Het vingertje dat de lucht in ging of een schalks schoudertje: het zag er leuk en gevat uit, maar met wat ze zong had het niks te maken. Vlotjes maar fel zeilde ze vervolgens doorheen Die Nachtigall van Alban Berg, waarvan ze de intervalsprongen niet echt kon ombuigen tot zinnelijke frases.

In de smeekbede van Liù uit Puccini’s Turandot kon ze een nieuwe, floersige schaduwtint in haar stem zetten. Sumi hengelde niet naar grotere gevoelens dan die in de muziek, maar liet de melodieën nederig schrijnen. Met enkele welgemikte, potsierlijke snikken aan het einde ontsierde ze wel haar hele vertolking. De grote aria van Louise zette ze neer met lange, vlezige lijnen, die het wagneriaanse krediet van deze muziek handig vermomden. Sumi begon echter nogal snel met het oproepen van climaxen, waardoor het spanningskoord knapte door een teveel aan slappe was.

Eindigen met Strauss’ fenomenale Im Abendrot is riskant, maar Sumi’s resonerende stem kon de reuzenklus aan. Helaas is deze sopraan niet op de Duitse taal berekend, zodat er in de roodgouden legato van haar avondschemering weinig inzicht te rapen viel. Maar de wil, de techniek en het talent om te ontroeren is ruim aanwezig, en dus gun je Sumi die mooie score wel.