Koningin Elisabethwedstrijd dag 1: Wie nootjes breekt, maakt geen schijn van kans
De twaalf finalisten van de Koningin Elisabethwedstrijd voor zang Foto: Photo News
Camera’s tussen het orkest, een knalrode picknicktafel op de parterre, programmaboeken van een duim dik en drie hoeraatjes voor de koning en koningin: het is nog eens tijd voor de Elisabethwedstrijd. En denk eraan dat hoesten niet toegelaten is, waarschuwt Marlène: via website, televisie en radio luisteren duizenden oren mee. Die willen allemaal weten of er met de voorjaarsoogst ook een nachtegaal is binnengehaald.

Twaalf zangers onder de 30 hengelen deze week naar de attentie van het publiek. Indruk maken en programmatoren of intendanten het hoofd op hol brengen, daar gaat het om. Tussendoor een eerste, tweede of derde prijs wegkapen is mooi meegenomen, maar geen must. Het is al wel vaker gezegd, maar de vocale editie van dit concours is niet maatbepalend voor een glansrijke carrière. De laatste winnaar die nog steeds in grote doen is, was in 2000 Marie-Nicole Lemieux. 

Liefdesgilletjes

Dat ze hun programma willen neerzetten als een concert. Kandidaten verwoorden het dikwijls zo, maar bedoelen het anders: dat ze liever zouden willen dat het geen wedstrijd was, waar ze zich eenzijdig moeten toeleggen op een foutloos parcours. Toch wil de traditie dat de Elisabethwedstrijd steevast een winnaar aflevert die perfect in de snaren grijpt of precies op de toetsen timmert. Ook bij zang geldt: wie nootjes breekt, maakt geen schijn van kans.

Wat dat betreft, stelden de eerste drie finalisten niet teleur. Het werd zelfs een interessante concertavond, omdat ook de geselecteerde muziek royaal in de tijd vertakt was. Voor het meest voorbeeldige programma zorgde onze landgenote Jodie Devos. De sopraan opende voorzichtigjes, met een wat makke versie van Nun beut die Flur uit Haydns oratorium Die Schöpfung. De klankrijke extase op het woordje ‘Heil’ of het wroetende ontkiemen van de natuur: je moest het er maar bij denken.

In de Mozartaria die volgde, kwam haar stem stilaan op temperatuur. Aan het begin van Vorrei spiegarvi, oh Dio! liet Devos zich op sleeptouw nemen door het orkest, waardoor de twistgesprekjes met de hobo verbeuzeld werden. In het ariagedeelte was het nog wat zoeken om elk melisme een nonchalante zwier te geven. Maar vanaf Donizetti bevond haar coloratuur zich op vertrouwd terrein. Devos maakte haar Linda eerst aandoenlijk naïef, waardoor het met die exploderende liefdesgilletjes wel klopte. Ook al kunnen klinkers en loopjes elkaar nog wat meer opstuwen, hier kwam haar keel aan spreken toe.

Strauss’ Amor zie je niet vaak op het repertoire, maar Devos maakte er iets knaps van. Ze joeg flakkerende melismes langs de vuurtjes en vlammetjes in de tekst, slaakte een fraaie hulpkreet en gaf de gehaaide Amor voldoende reliëf. Als uitsmijter was er Glitter and be gay, waarvan ze de vocale ijdeltuiterij knap verdedigde – ook al leek ze niet te kunnen beslissen of haar Cunegonde nu radeloos, bitchy of gewoon krankjorum is.

Gedaver

In tegenstelling tot de coloratuur van Debos bezat de Hongaarse Emoke Baráth geen register waarmee ze kon pronken. Muzikaal en interpretatief echter was ze de betere sopraan, jammer alleen dat ze zichzelf in de weg zit met een te kleine stem. Neem daarbij een dirigent die met onbesuisd orkestspel de balans verwaarloost, en je moet je inspannen om Baráth nipt op het trommelvlies te houden.

Van opwarmen was bij haar geen sprake. Baráth opende allermooist, met een heerlijk wapperende aria uit Händels Joshua. Anders dan Devos dartelde de Hongaarse slim en natuurlijk door de vele melismen, die zo gewichtloos werden neergezet dat je de zompige begeleidingsbrei prompt vergat. Over Mozart hoeft niemand haar nog iets te leren. Met ingehouden woede, wrok op de tong en gekte in het hoofd: zo zette Baráth haar Ilia neer. Toch kon ze de spanning net niet opdrijven tot binnen de aria, waarin het schuldbewustzijn wat krachtiger gevarieerd kon.

Dankzij de nogal plettende begeleiding kwam Baráth in Schumanns aria uit Das Paradies und die Peri niet toe aan het fonkelen. Meer focus zat er in het Maanlied uit Rusalka, dat ze geheel zonder melodrama en ingetogen durfde neer te zetten. De grote aria uit The rake’s progress begon uitmuntend, met kernachtige verzuchtingen. Je voelde: hier staat een muzikante op met aandacht voor het verhaal. Alleen was Baráths stem wat te klein om voluit koers geven aan het slot, waarin Anne Trulove vastbesloten de koffers pakt.

Met Levente Pall trad de eerste man van het concours aan. De Hongaars-Roemeense bas zette zijn Händelaria neer alsof het een zware verhuisdoos was. Aan de ongecontroleerde bibberingen was te horen dat deze zanger niet kon bogen op veel barokervaring. Uit Don Giovanni was er de beroemde cataloogaria, die zo vol vaart begon dat het samenspel even zoek raakte. De vertolking was degelijk maar braaf: Pall had goede bedoelingen, maar als Leporello mist hij botte humor en fijne ironie. Dan ging het Confutatis uit Verdi’s Requiem hem beter af. Palls soepele bas stelde het contrast tussen angst en schroom mooi op punt, en had ademruimte over voor enkele genereuze slotmaten.

Voor de emotioneel ingesnoerde aria uit Eugen Onegin mankeert het Pall aan de ouderdom om de partij van prins Gremin uit te acteren. De bas loste het daarom slim op, door het lamento snel en vertellend te nemen. Die aanpak werkte, al was het zonde dat hij naast die ene lage noot greep die het ganse verdriet samenpakte. Le veau d'or is een klassiek slotnummer, maar als Pall een diabolische Méfistophélès speelde, dan was daar in het orkestrale gedaver weinig van te horen.