Voor eeuwig in het web
Foto: AP
Een opvallend arrest van het Europees Hof voor Justitie blies deze week het ‘recht op vergeten worden’ nieuw leven in. Een Spaanse man stapte naar de rechter omdat een oud zoekertje in een krant over de gedwongen verkoop van zijn huis vandaag nog steeds opdook, als hij zijn naam intikte op Google. Ook deze krant, zoals alle kranten wereldwijd, krijgt wekelijks vragen van lezers om hun naam uit de archieven te verwijderen. Hoe gaat ze daarmee om?

De ironie is hem zelf hopelijk niet ontgaan. De naam ‘Mario Costeja Gonzàlez’ levert sinds deze week tienduizenden hits op Google op, als zijnde de man die Google heeft kunnen verplichten om elk spoor te verwijderen naar berichten uit een Spaanse krant uit 1998, die eraan herinnerden dat hij ooit financiële problemen heeft gehad. Niet relevant meer, want reeds lang achter zich gelaten. Vervelend om telkens weer mee geconfronteerd te worden. Maar nu weten natuurlijk niet alleen Spanjaarden, maar de hele wereld van zijn overwonnen nood. Zou hij al die recente Google-hits – of waarom niet, de bronartikels zelf, inclusief dit stuk? – ook weer kunnen laten verwijderen? Of gelden er daarvoor weer andere regels?

Het illustreert (een beetje) de vele moeilijkheden die opduiken als het gaat over het infame ‘recht op vergeten worden’, dat door het opvallende arrest van het Europese Hof voor Justitie deze week nieuw leven ingeblazen werd. (Het volledige arrest vindt u hier, de samenvatting in een persbericht hier.) Het principe is eenvoudig, en iets waar men spontaan (ik toch) begrip voor kan opbrengen: doordat het internet alles bijhoudt, en online zoekmachines als Google zo krachtig zijn dat ze zelfs de kleinste snipper van vijftien of twintig jaar geleden op eenvoudig verzoek weer bovenhalen, verdwijnen ongelukkige uitspraken of persoonlijke misstappen nooit meer in de mist van het verleden. Wie bijvoorbeeld jaren geleden in de krant stond met een getuigenis over zijn excessief alcoholgebruik, of op een forum een beledigende reactie schreef, of een foto postte van zichzelf in halfontblote toestand, of op een online petitie zijn steun uitsprak voor een politieke zaak (maar vandaag pakweg een beroep uitoefent dat strikte neutraliteit vereist), die kan het vervelend vinden dat die oude webpagina met een eenvoudige Google-opdracht weer opgeroepen kan worden. Mensen voeren aan dat het hen benadeelt tijdens het solliciteren, bijvoorbeeld. Of dat kennissen, buren, vrienden, collega’s... hen er op blijven aanspreken.

Het is om die reden dat eurocommissaris voor Justitie Viviane Reding in 2012 al een richtlijn heeft voorgesteld (die zich traag maar gestaag een weg baant door het Europese besluitvormingsproces) over online privacy en de bescherming van persoonlijke data. Die moet burgers van de EU het recht geven om zelf te bepalen welke informatie er over hen online beschikbaar is – en om dus ook te kunnen eisen dat zoekrobots sommige webpagina’s niet meer zouden oplijsten, of dat de informatie op die pagina’s zelf zou worden aangepast of gewist. Ze stoot daarbij op felle tegenstand van internetgiganten als Google – maar ook de nieuwsmedia bieden weerstand, en vragen op zijn minst een uitzondering voor hun archieven. Die hebben immers historische waarde, voeren ze aan. En journalistieke ook. Je kan het verleden niet herschrijven. Wat gebeurd is, is gebeurd. Dat Gonzàlez in 1998 zijn huis moest verkopen is misschien niet meer zo maatschappelijk relevant, maar dat hij een rechtszaak won tegen Google wél – en dat zal het binnen 15 jaar nog altijd zijn. (Dat honoreert het recente arrest ook wel, door expliciet te stellen dat 'het publieke belang' soms een reden kan zijn om bepaalde informatie wél toegankelijk te houden.)

Verdeelde ombudslieden

Zelfs ombudslieden zijn er niet uit welk evenwicht een nieuwsorganisatie daarin moet vinden. Dat bleek uit het debat over de kwestie op het jaarlijkse congres van de Organization of News Ombudsmen in het Duitse Hamburg, vorige week, onder leiding van David Jordan, director of editorial policy and standards bij de BBC. (Geen ombudsman, maar het equivalent van de manager Beroepsethiek bij de VRT). Als internationale nieuwsorganisatie die in een wereldtaal opereert, wordt de BBC overspoeld met aanvragen van mensen die een artikel waarin zij genoemd worden uit de archieven verwijderd willen zien. En iedereen is het erover eens dat dat onder sommige omstandigheden best wel toegestaan kan worden – maar welke precies?

Wat bijvoorbeeld met een jongeman die in een nieuwsbericht genoemd werd als verdachte van een valse bommelding, maar tegen wie alle aantijgingen werden ingetrokken nog voor het tot een proces kwam? (Betrekkelijk algemene consensus: die jongen hoeft niet tot het einde der tijden geconfronteerd te worden met dat gearchiveerde nieuwsartikel. Eén dissidente ombudsman vond het beter om het artikel te houden zoals het was, mét de naam, maar om er een duidelijk bericht onder te plaatsen dat meldde dat hij nooit was aangeklaagd.)

Wat met een opsporingsbericht van twee vermiste kinderen, waaruit kon worden afgeleid dat ze in een pleeggezin woonden? (Opnieuw algemene consensus: die kinderen, ondertussen teruggevonden, hadden het recht om dat te laten verwijderen.)

Wat met een Iraanse man, die in Groot-Brittannië woont, die ooit een interview heeft gegeven aan de BBC, maar die nu op bezoek wil naar zijn geboorteland – waar het verboden is om met buitenlandse media te spreken? (Algemene consensus: de man loopt reëel gevaar, het artikel kan worden aangepast / verwijderd.)

Oké, moeilijker dan: wat met een jongen die ooit gevat was voor een inbraak, maar nu als volwassene merkte dat die oude zaak hem parten speelde bij sollicitaties? (Meer onenigheid onder de ombudslieden: de ene vond dat de man, in het kader van zijn reïntegratie in de maatschappij, het recht had om te worden geanonimiseerd. Anderen zeiden: hij hééft het wel gedaan, het is geen klein misdrijf, wat als hij het later nog eens doet? Gaan we zijn naam dan opnieuw toevoegen?)

Of wat met een heroïneverslaafde, die ooit over zijn verslaving getuigd had, maar ondertussen was afgekickt, en niet meer door dat verleden achtervolgd wilde worden? (Veel onenigheid onder de ombudslieden. Akkoord dat het vervelend was voor de persoon, maar is dat het probleem van het nieuwsmedium?)

Nog moeilijker: wat met een volwassen man die ooit vrijwillig en bij volle bewustzijn getuigd had over zijn homoseksuele geaardheid, maar die nu aan de slag was als leraar op een school, met een grote meerderheid aan kinderen (en ouders) die niet erg positief stonden tegenover homo’s? Heeft die het recht om terug in de kast te kruipen?

Of wat met een vrouw die ooit, alweer vrijwillig en bij volle bewustzijn, een interview gaf over haar ervaringen met online daten, maar het ondertussen als een inbreuk op haar privacy beschouwt dat mensen in haar omgeving die getuigenis nog altijd kunnen lezen? (Haar argumentatie luidde, interessant, dat ze op het moment dat ze het interview gaf, in de vroege jaren 2000, nog niet kon voorzien dat het internet de mogelijkheid zou bieden om het artikel voor altijd opnieuw op te roepen. Zij ging uit van de ‘oude’ situatie: je getuigt, mensen spreken je er even op aan, en na enkele weken ben je weer vergeten. Wat natuurlijk ook betekent dat mensen die vandaag akkoord gaan om een interview te geven, dat excuus niét meer hebben.)

De meeste ombudslieden waren voorstander van een strikte politiek: aan het archief wordt niet geraakt, tenzij er een hele goede reden voor is. David Jordan verdedigde dat onder meer met het argument: ‘Je loopt het risico, als je een artikel verwijdert of aanpast, dat mensen wantrouwig worden over wat er ontbreekt. De weggehaalde informatie kan een eigen leven gaan leiden – zo kunnen er net meer onjuiste verhalen gaan circuleren.’

Maar er waren ook dissidente stemmen. Eén ombudsman zei dat het argument ‘aan het historische archief wordt niet geraakt’ onzin was: je kan er perfect een klassiek papieren archief op blijven nahouden, of een digitaal archief dat simpelweg niet voor het brede publiek raadpleegbaar is – dan houd je je ‘historische archief’, terwijl je toch recht doet aan het leed (of in sommige gevallen gewoon het ongemak) van mensen die ooit in de krant zijn gekomen.

Eén Keniaanse ombudsvrouw zei zelfs: ‘Er zijn zoveel gebeurtenissen waar nooit over wordt bericht. Dat hele idee van public record is sowieso vals. Door een artikel te verwijderen verander je de geschiedenis niet. Je verplaatst een gebeurtenis gewoon van de categorie ‘er is over bericht’ naar ‘er is nooit over bericht.’

En er werd gediscussieerd over waar het probleem zich nu precies situeerde: bij het medium, of bij Google. Uiteindelijk klagen mensen niet écht over het feit dat ze ooit dat interview hebben gegeven, en zelfs niet over het feit dat dat gearchiveerd is – ze  vinden het vervelend dat het louter intikken van hun naam meteen naar dat artikel leidt. Dat gaat dan naar het hart van de juridische strijd: is het Google die ter verantwoording moet worden geroepen, of alle individuele makers van de bronartikels? (Of moeten mensen gewoon leren leven met de nieuwe realiteit?)

Wat doet De Standaard?

Ook De Standaard krijgt zulke vragen. Naar schatting van financieel manager Toon Van Den Meijdenberg, die ze behandelt, gemiddeld één per dag. Sinds 2008 werkt de krant met een interne richtlijn. Die stelt – in strikte bewoordingen – dat de krant van gisteren ‘geschiedenis’ is, en dat het ontoegankelijk maken voor raadpleging ‘in de richting van geschiedvervalsing’ gaat. In principe wordt er enkel toegestaan dat er correcties of aanvullingen bij de oorspronkelijke berichtgeving worden geplaatst, bijvoorbeeld als iemand werd vrijgesproken of buiten vervolging gesteld, of als een faillissement weer werd opgeheven. Alle voorbeelden die worden genoemd, situeren zich in de juridische sfeer. Over online daters uit 2000, die ondertussen bv. schooldirecteur zijn en die vrezen hun autoriteit te verliezen als leerlingen op het artikel uitkomen, zegt de richtlijn niets.

‘Wat we in de praktijk wel doen’, legt Van Den Meijdenberg uit, ‘is licht anonimiseren. Artikels weghalen’ – met een lelijk Engels neologisme, unpublishen – ‘doen we nooit. Maar als iemand kan aantonen dat hij reële schade lijdt door het feit dat een zoekopdracht op zijn naam een oud artikel doet opduiken, dan staan we toe dat zijn achternaam wordt afgekort. Zo vindt Google die niet meer terug. Dat kan dan gaan over iemand die lang geleden genoemd werd in verband met een kleiner misdrijf, zijn straf heeft uitgezeten, en nu inroept dat het artikel zijn reïntegratie in de maatschappij hindert. Of een slachtoffer van een misdrijf, die vijf jaar geleden een kort interview gaf, maar nu niet meer aan die traumatiserende gebeurtenis wil herinnerd worden. Al die aanvragen worden individueel behandeld, met de richtlijnen van de Raad voor de Journalistiek ernaast, en vooral met veel gezond verstand en medemenselijkheid.’

Of het het probleem ten gronde oplost, is echter nooit zeker. ‘Als Google het artikel in het cache-geheugen heeft opgeslagen en het duikt op die manier toch op, dan kunnen wij helaas niets meer doen. Dan moeten mensen toch Google contacteren.’