Even geduld ...
‘We moeten zoeken naar een modus vivendi met files. Dat is beter dan iedereen wijsmaken dat we ze ooit zullen oplossen.’ Foto: Cindy Mertens

Ben je net op kruissnelheid en dan springt de bestuurder in de auto voor je op de rem. Minstens tien minuten tijdverlies voor de boeg. Vervelend? Hangt ervan af hoe je het bekijkt, schrijft Kris Peeters in een bewerkt fragment uit zijn nieuw boek ‘Weg van mobiliteit’.

Wie? Mobiliteitsexpert.

Wat? Geduld is een schone deugd. Als we er ons maar op instellen dat we iets langer onderweg zullen zijn, vallen die files best wel mee.

Als je de woorden ‘verkeer’ en ‘ellende’ als zoektermen invoert op Google, krijg je een vraag als antwoord: bedoelde u ‘verkeersellende’? Daarop worden 160.000 hits voorgeschoteld die – al heb ik ze eerlijk gezegd niet allemaal gelezen – betrekking hebben op congestie: files als gevolg van te veel verkeer, extreme weersomstandigheden, wegenwerken of ongevallen.

Het is merkwaardig dat met ‘verkeersellende’ en het intussen al even populaire ‘fileleed’ het ongemak van het wachten wordt bedoeld. En dus niet het ‘ongemak’ van de doden en zwaargewonden aan het begin (en soms ook aan het eind) van sommige files. Nochtans beseft ieder weldenkend mens dat dit laatste een ellende vertegenwoordigt waarbij ‘even geduld oefenen’ in het niets verzinkt. ’Wachten’, dat vaak dan nog alleen maar de vorm aanneemt van ‘trager rijden’, is zo geproblematiseerd dat niemand zich nog vragen stelt bij dit inflatoir woordgebruik. Het maakt zichtbaar dat ook ‘ellende’ een begrip is dat varieert met de tijd en de locatie.

Die locaties hoeven overigens niet eens zo ver uit elkaar te liggen. Een gezin op weg naar Disneyland Parijs kan zich in de file naar het pretpark aardig opwinden over de oplopende reistijd en luttele uren later tevreden vaststellen dat de wachttijden voor de enkele minuten durende attracties best meevallen: ‘Hoogstens een halfuur, we hebben geluk!’ Kennelijk heeft er aan de ingang van het pretpark een gedaanteverwisseling plaats van ‘files’ in ‘wachtrijen’.

De beste bakker

Het hangt er maar van af wat we verwachten en dus normaal vinden. Te hoge verwachtingen creëren frustraties. Realistische verwachtingen maken mensen gelukkiger . Daardoor kan ook iemand die ongeneeslijk ziek is toch nog geluksmomenten ervaren. Hij of zij heeft een ander verwachtingspatroon en meet met een andere maatstaf.

Hier ligt nog onontgonnen terrein om de ‘verkeersellende’ te verkleinen. Laat ons ermee ophouden mensen te doen geloven dat files abnormaal zijn. Als veel mensen tegelijk ergens willen zijn, dan ontstaan er wachttijden. Als we die verwachten, zoals ’s zondags bij de bakker, dan nemen we die er graag bij. Sterker nog, we zien de wachtrij als een bevestiging van onze goede smaak: ‘Als zoveel mensen naar deze bakker komen, dan moet het wel een goede zijn.’ Of denk aan de lange wachtrijen voor het Colosseum en het Vaticaan in Rome. Op drukke dagen moeten toeristen er uren aanschuiven in de zinderende zon. Toch vraagt niemand om de capaciteit te verhogen door een tweede Colosseum of Vaticaan te bouwen. We aanvaarden de schaarste. Meer zelfs, we waarderen ze. Met een namaak-Colosseum of -Vaticaan zouden we geen genoegen nemen.

Nog een voorbeeld. Ooit jaagden de banken hun klanten letterlijk de straat op met het argument dat bankautomaten een betere service zouden opleveren: 24 uur op 24 beschikbaar, beter kan niet! Toch verdwenen de wachtrijen niet. Op de middag nemen er nu eenmaal meer mensen geld op dan om 3 uur ’s nachts. Inmiddels zijn veel bankautomaten dan ook terug naar binnen opgeschoven. Wachten in de regen en de koude is bij nader inzien toch niet zo ideaal. Het wachten zelf werd intussen gedeproblematiseerd. Sommige banken informeren hun clientèle over de kalme en de drukke uren aan de automaat. De boodschap is helder: wie niet lang wil wachten, moet op een ander tijdstip komen.

Wachten op de iPhone

Cor Dierckx, kabinetsmedewerker van een hele reeks Vlaamse ministers van Mobiliteit, maakt graag de vergelijking met supermarkten. Iedereen vindt het aanvaardbaar dat er op vrijdagavond of zaterdagmiddag met het winkelkarretje moet worden aangeschoven. Niemand eist dat het aantal kassa’s net zo lang wordt uitgebreid tot alle wachtrijen verdwenen zijn.

De supermarkten zijn tot de conclusie gekomen dat de mensen iets langer laten wachten economisch zelfs rendabeler is. Ten eerste omdat meer bemande kassa’s meer geld kosten dan ze opbrengen – een oefening die wij vreemd genoeg zelden maken voor rijstroken. De tweede reden is doortrapter. Mensen die in de rij staan, kunnen nog wel eens worden verleid tot het kopen van producten die ze niet van plan waren te kopen.

Ook meester-marketingstrateeg Steve Jobs van Apple gebruikte het wachtfenomeen in zijn voordeel. Bij de lancering van nieuwe producten (iPod, iPhone, iPad) creëerde hij doelbewust een beperkt aanbod, zodat er wachtrijen ontstonden die de (verkoop)waarde van zijn producten kunstmatig opdreven.

Files als compliment

Wachttijden en -rijen zijn dus niet per definitie en niet in elk opzicht problematisch. Pas als een wachtrij geproblematiseerd wordt, spreken we van een file. Files zijn met andere woorden het resultaat van een spagaat tussen realiteit en wat als een legitieme verwachting wordt gezien.

Waarom zouden steden hier niet van kunnen leren en van een ogenschijnlijke handicap een troef maken? Als de files naar Antwerpen zo lang zijn, dan moet Antwerpen wel een heel interessante stad zijn. En dan wordt de file misschien een reden om er te gaan wonen in plaats van om er weg te blijven. Zoals J.A. Blom, de directeur van onderzoeksinstituut TNO, ooit zei: ‘Dat het in en rond Den Haag zo druk is, is geen drama, maar een compliment. Wanneer je Den Haag bekijkt als een winkel, dan ziet de winkelier als hij om negen uur zijn winkel opent tien kilometer klanten voor zijn deur staan. Hoe zou die winkelier kijken als die klanten nog wel voor Amsterdam staan, maar niet meer voor Den Haag?’ Zo bekeken moeten burgemeesters zich pas zorgen maken als er géén files zijn naar hun stad. Daarmee heb ik niet gezegd dat we files moeten stimuleren. Ik pleit ervoor te zoeken naar een modus vivendi met files. Dat is beter dan anderen én onszelf wijs te maken dat we ze ooit zullen oplossen.

Het grootste verschil zit hem ‘in het idee dat de overheid vat zou hebben op de capaciteit van de wegen en bovendien ook de relatief grote en erg vervelende onvoorspelbaarheid van het fenomeen’. Verwachte files worden met andere woorden makkelijker geaccepteerd dan niet-verwachte, precies omdat ze beter overeenstemmen met de verwachtingen.

Kris Peeters, ‘Weg van mobiliteit’, uitgeverij Vrijdag, 368 blz., 25 euro. Vanaf 16 mei in de boekhandel