"Transparantie" is een heet onderwerp onder nieuwswatchers. Het wordt "de nieuwe objectiviteit", of "de nieuwe onafhankelijkheid" genoemd. Maar wanneer heeft het zin om transparant te zijn? In dit essay legt Tom Naegels de kwestie transparant voor aan de lezers.

Dit is de Nederlandstalige versie van een workshop die ik op 6 mei 2014 leid op het jaarlijkse congres van de Organization of News Ombudsmen, in Hamburg. In een opvolgingspost zal ik de debatten onder de collega’s samenvatten.

In de papieren krant van 30 april verscheen een ombudscolumn over hetzelfde onderwerp.

Enkele weken geleden schreef ik een column over de controverse over het laatste boek van Kristien Hemmerechts, en hoe de krant ermee was omgegaan. (‘Een storm onder een stolp’, 29 januari) Hemmerechts is een persoonlijke vriendin van mij. Aangezien dat een potentieel belangenconflict opleverde – mijn oordeel zou erdoor beïnvloed kunnen worden – besloot ik om er transparant over te zijn. Dus begon ik dat stuk met: ‘Ik ben bevriend met Kristien Hemmerechts.’

Een aantal lezers drukten hun waardering daarover uit. Ik was open geweest over mijn eigen relatie tot het onderwerp van mijn stuk, en dat verhoogde in hun ogen mijn geloofwaardigheid. Andere lezers waren minder enthousiast. Als ik het zelf erkende als een belangenconflict, wat was dan de zin van er transparant over te zijn? Ik had het hele thema gewoon niet mogen behandelen, punt uit.

Zelf had ik achteraf nog andere bedenkingen. Ik was er allereerst van overtuigd dat mijn vriendschap mijn oordeel niet in de weg had gestaan; als ik diep in eigen hart keek, wist ik zeker dat ik precies hetzelfde zou hebben geschreven, als het over iemand anders was gegaan. Waarom dan toch die zin? Had ik niet onnodig twijfel gezaaid over mijn objectiviteit?

Bovendien: als ik erkende dat persoonlijke relaties een oordeel mogelijk kunnen beïnvloeden, had ik dan ook niet moeten vermelden dat de andere persoon in het artikel, boekhandelaar Bart Van Aken die Hemmerechts’ boek niet wilde verkopen, in mijn lijst met Facebook-kennissen zit? (De boekenwereld is klein.) En dat ik met journaliste Eline Bergmans, van wie ik het artikel bekritiseerde, altijd goed heb kunnen opschieten? Want uiteindelijk: als ombudsman van een krant ken ik de journalisten over wiens werk ik schrijf, bijna allen persoonlijk. Verplichtte die eenmalige disclosure me niet om altijd te melden  hoe ik mijn eigen relatie met de schrijver van dat artikel inschat? En verwacht ik hetzelfde van de andere redacteurs? ‘Disclosure: met minister Geens heb ik een koele verstandhouding.’

Alle gekheid op een stokje: wat voor nut heeft dat? Zoals een journalist van deze krant me recent zei: ‘Het is misschien tegen de tijdsgeest, maar een béétje vertrouwen in het nieuwsmedium mag je van lezers toch verwachten?’

Nieuwe objectiviteit

Transparantie is een populair onderwerp onder nieuwswatchers. Sommigen noemen het ‘de nieuwe objectiviteit’, anderen ‘de nieuwe onafhankelijkheid’ – in beide gevallen wordt bedoeld uit dat transparantie een eerlijker alternatief is voor het ideaal dat een journalist op eigen kracht, zonder enige invloed van buitenaf, en gebruik makende van een objectiverende methode van verificatie, de waarheid kan benaderen. Is het in een nieuwe digitale omgeving, waar in principe iedereen journalist kan zijn en mensen met een duidelijke agenda (Glenn Greenwald of Julian Assange) mee voor de belangrijkste onthullingen van de laatste jaren hebben gezorgd, niet eerlijker om open kaart te spelen over wie je bent, waarom je voor dat verhaal gekozen hebt, en welke praktische keuzes je hebt moeten maken?

Als ombudsman onderschrijf ik het principe uiteraard. Het is de kern van mijn functie: als lezers de krant om verantwoording vragen, antwoord ik hen open en transparant hoe een berichtgeving tot stand is gekomen. Maar dat is, laat ons zeggen, een eerder minimale en reactieve invulling van het begrip. Velen pleiten voor een meer proactieve transparantie – een nieuwe, meer interactieve vorm van berichtgeven, die naast de berichtgeving al meteen uitleg verschaft over het hoe en waarom. In de woorden van Kelly McBride en Tom Rosenstiel, die er in hun vorig jaar verschenen The New Ethics of Journalism. Principles for the 21st Century voor pleiten om ‘handel onafhankelijk’ als leidend principe te vervangen door ‘wees transparant’:

Toon hoe de berichtgeving tot stand kwam en waarom mensen ze zouden moeten geloven. Leg uit welke bronnen je hebt gebruikt, op welk bewijsmateriaal je je hebt gebaseerd, en welke keuzes je hebt gemaakt. Wees open over wat je niet weet. Maak van intellectuele eerlijkheid je gids en van bescheidenheid (eerder dan valse alwetendheid) je kracht.
Wees zeer duidelijk over je journalistieke insteek: streef je naar onpartijdigheid of benader je je informatie vanuit een politieke of filosofische overtuiging. Beschrijf hoe die overtuiging je berichtgeving beïnvloedt, inclusief hoe je onderwerpen en bronnen selecteert.
Erken fouten en corrigeer ze snel, en op zo’n manier dat mensen die de verkeerde informatie tot zich hebben genomen, de waarheid toch zullen kennen.
(Mijn – licht vrije – vertaling.)

Hoe vertaal je die aansporingen naar een algemene kwaliteitskrant als De Standaard? Wat is er haalbaar, wenselijk, wat is een verbetering, wat onnozele nieuwlichterij, en waar botst het streven naar transparantie met andere journalistieke (en praktische) overwegingen? Dat is waar ik in dit essay dieper op wil ingaan – en waar ik, transparant als ik ben, met de lezers verder over wil debatteren.

Bronnen

Laat me beginnen met een aanbeveling die ik zelf helemaal onderschrijf, en waar de krant verder in kan gaan dan ze nu doet.

Leg uit welke bronnen je hebt gebruikt, op welk bewijsmateriaal je je hebt gebaseerd, en welke keuzes je hebt gemaakt.

Het is niet dat dat nu helemaal niét gebeurt. Dat een journalist transparant is over waar hij zijn informatie gehaald heeft, staat nu al – in voorzichtigere termen – in de deontologische code. Daar lees ik:

2. De journalist publiceert alleen informatie waarvan de oorsprong hem gekend is. De journalist checkt de waarachtigheid van de informatie. In de mate van het mogelijke, en voor zover dit relevant is, maakt hij de bron van zijn informatie bekend.

In de mate van het mogelijke, en voor zover dit relevant is, want er is natuurlijk ook nog altijd puntje 19:

19. De journalist beschermt de identiteit van zijn bronnen aan wie hij vertrouwelijkheid heeft toegezegd, en van bronnen van wie hij wist of moest weten dat zij hem informatie hebben toegespeeld in de verwachting dat hij hun identiteit niet zou onthullen.

Het bekende journalistieke bronnengeheim.

De twee hoeven elkaar niet tegen te spreken, en hoeven ook niet te leiden tot dat voorzichtige ‘in de mate van het mogelijke, voor zover dit relevant is’. Deze aanbeveling zegt eigenlijk: zorg ervoor dat lezers niet voetstoots op jou, de journalist, moeten vertrouwen. Overdonder ze niet met beweringen waar je zélf dan wel de waarachtigheid van hebt gecontroleerd, maar die je vervolgens zo presenteert dat het te nemen of te laten is. (Dat is wat ik begrijp uit de aanbeveling: Maak van bescheidenheid (eerder dan valse alwetendheid) je kracht.) Ga uit van hun scepsis (maar niet van hun wantrouwen, dat leidt nergens toe), of positiever: van hun nieuwsgierigheid, en geef ze de mogelijkheid om zelf te controleren of het klopt wat je schrijft, of op zijn minst om meer informatie te weten te komen. Als je dus met een anonieme bron werkt – als het echt niet anders kan – probeer dan om voldoende materieel bewijs toe te voegen, dat onderbouwt wat die bron zegt. En dan hoef je hem of haar niet te noemen. (Al helpt het om bij anonieme bronnen telkens uit te leggen waarom ze niet genoemd willen worden, en om ze toch een beetje te duiden.)

Zeker als de journalist zich baseert op openbare documenten, zoals studies, rapporten of verslagen, lijkt het me niet meer dan vanzelfsprekend dat die online telkens worden toegevoegd. Dat kan ook het probleem uit de wereld helpen met de berichtgeving over wetenschappelijke studies, waar ik al dikwijls over geschreven heb: in de vertaalslag gaan vaak belangrijke nuances verloren, of de studie zelf is methodologisch zo opgezet dat ze net héél spectaculaire resultaten geeft – die in perspectief worden gezet als je ziet hoe één en ander werd gemeten. (Zie bijvoorbeeld mijn column ‘spektakelstatistiek’, 19 maart 2014.)

Dat toevoegen van achtergrondlectuur, een intelligente online bibliotheek die lezers toelaat zich verder te verdiepen in het onderwerp waar het artikel over gaat, en hen in staat stelt om de informatie bij de bron zelf te checken (op voorwaarde dus dat dat niet onder het bronnengeheim valt), is volgens mij dé toekomst van de digitale De Standaard. Dat gaat verder dan transparantie, en sluit aan bij mijn ideaal van de ‘coherente krant’, die meer is dan een horizontale bundeling (op papier) van die verhalen die die dag belangrijk zijn voor een gemeenschap, maar ook verticaal (digitaal) artikels over hetzelfde onderwerp bundelt, opvolgt doorheen de tijd, en aanvult met alle achtergrondinformatie en relevante verbanden die nodig zijn om een gebeurtenis in context te kunnen plaatsen.

(Maar het ging over transparantie.)

Geld

Toon hoe de berichtgeving tot stand kwam en waarom mensen ze zouden moeten geloven.

Dat is een zeer algemene aanbeveling, die zowel maximaal kan worden ingevuld (schrijf bij elke reportage een uitgebreide making-of) als minimaal (zorg ervoor dat er in je reportage voldoende verwijzingen staan naar de stappen die je hebt gezet om de repo te maken, waar je naartoe bent gegaan, hoe lang je met mensen hebt gesproken… en voeg disclosures toe als er potentiële belangenconflicten zijn.)

Wat dat laatste betreft – enkele opmerkingen over geld.

Het maken van nieuws kost geld. Geld wordt traditioneel (niet noodzakelijk terecht, vind ik) gezien als de belangrijkste bron van belangenconflicten. Het ligt dus voor de hand om daar transparant over te zijn.

Op het niveau van de krant als bedrijf zijn er twee grote bronnen van inkomsten: betalende lezers en advertenties. (Sinds kort komen daar ook eigen spin-offs bij, zoals de webshop, of reizen die worden begeleid door een van de redacteurs.) De verhoudingen daartussen liggen sinds lang vast: er hoort een duidelijk onderscheid te bestaan tussen redactionele en commerciële inhoud, en de redactie mag onder geen enkel beding beïnvloed worden door belangen van adverteerders of het overkoepelende bedrijf. Daar heb ik al enkele keren over geschreven.

Dat neemt niet weg dat er voor individuele artikels soms gezocht wordt naar een bron van inkomsten, die het mogelijk moet maken om de reportage te kunnen schrijven. Met name voor buitenlandse verplaatsingen is dat het geval.

Als journalisten van De Standaard een buitenlandse reportage maken, dan kan hun verplaatsing betaald zijn door de krant zelf, door een subsidiegever (meestal het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek), of door een derde partij (een ngo, een binnen- of buitenlandse overheidsdienst, een commercieel bedrijf…). Die laatsten hebben doorgaans wel enig belang bij het faciliteren van dat journalistieke werk, zelfs al accepteren ze formeel dat de journalist vrij is te schrijven wat hij/zij wil. In twee eerdere ombudscolumns (‘Wie betaalt die reizen?’, 9 mei 2012 en ‘De wegdroomfactor’, 16 mei 2012) pleitte ik ervoor om telkens transparant te vermelden wie de financier is geweest.

Daar werd ik op aangesproken door een lezer, die de reportage over de palmolie-industrie in De Standaard Weekblad (‘Een bittere pit. We verzuipen in palmolie’, 8 februari 2014) interessant en evenwichtig vond, maar niettemin nergens las hoé – op wiens uitnodiging, met wiens geld – redactrice Dorien Knockaert de reis door Maleisië en Indonesië gemaakt had. ‘Ik vraag het niet uit argwaan, maar gewoon uit interesse’, voegt de lezer eraan toe.

In mijn column van 30 april 2014 heb ik erover geschreven: Knockaerts vlucht naar Maleisië werd betaald door de Malaysian Palm Oil Council, een belangenorganisatie van de palmolieproducenten, maar ter plaatse heeft ze contacten gelegd met ngo’s, om haar reportage in evenwicht te brengen.

Had dat er beter bij gestaan? Ja, dat vind ik wel. Maar dan wel de hele uitleg – niet alleen de disclosure over de Palm Oil Council. Die zou immers de indruk wekken dat de reportage ‘verkocht’ was, terwijl Knockaert net inspanningen gedaan heeft om eventuele beïnvloeding teniet te doen. Uit haar stuk blijkt ook geen sympathie voor de palmolieproducenten, al wordt hun visie ook weergegeven, wat maar logisch is.

Het is een reflex die de krant nog onvoldoende heeft: bij reizen waar een derde partij betaald heeft, 1. voldoende maatregelen nemen om je onafhankelijkheid te verzekeren (en indien dat niet mogelijk is: niet ingaan op het aanbod), en vooral: 2. systematisch open communiceren over de situatie.

Maar moet de krant dat ook doen, als ze wél alles zelf betaald heeft?

Dat is wat diezelfde lezer aanvoerde, nadat hij me had gevraagd hoe de reis naar Dhaka was bekostigd, voor de reportage ‘Het litteken van Rana Plaza’ (19 april 2014). Ik antwoordde hem dat journaliste Liza Jansen dat zelf had betaald. De lezer: ‘Maar dat is uitstekend! Dat kan je toch met enige trots onder zo'n stuk zetten. ;)

Dat weet ik niet zo. Het is, ironisch genoeg, moeilijker om transparant te zijn als alles volgens de regels verlopen is. ‘Liza Jansen maakte deze reis op eigen kosten’ – is dat een zinvolle mededeling in de krant? Wat impliceer je daarmee? Dat dat uitzonderlijk is? Dat ze het de krant verwijt dat dié niet heeft betaald?

Voor mij illustreert het een van de paradoxen van het transparantiedenken, de plek waar het in zijn eigen staart gaat bijten: dat er grenzen zijn aan wat communiceerbaar of ‘verhelderbaar’ is, waarna je met je transparantie alleen maar onbedoelde implicaties genereert, wat het plaatje eerder vertroebelt, waar je dan wéér op je beurt transparant over moet zijn – und kein ende.

Motieven

Dat is volgens mij het geval als je transparantie gaat toepassen op de motieven van de journalist, of van de krant, zoals dat wordt samengevat in de aanbeveling:

Wees zeer duidelijk over je journalistieke insteek: streef je naar onpartijdigheid of benader je je informatie vanuit een politieke of filosofische overtuiging. Beschrijf hoe die overtuiging je berichtgeving beïnvloedt, inclusief hoe je onderwerpen en bronnen selecteert.

Rosenstiel en McBride kiezen hiervoor, leid ik af, omdat ze willen honoreren dat ook ideologisch gedreven bloggers, columnisten, activisten… sterke journalistiek kunnen produceren, zoals Glenn Greenwald overtuigend heeft aangetoond. Greenwald verdedigt – in een debat met oud-New York Times-hoofdredacteur Bill Keller – ook de stelling dat activisten net béter in staat zijn om aan waarheidsvinding te doen, omdat zij gebetener zijn. En dus zeggen Rosenstiel en McBride: niets mis mee, zolang je maar transparant bent over je overtuiging.

Dat is allemaal goed en wel als je bewust vertrekt van zo’n overtuiging. Voor De Wereld Morgen is het niet moeilijk om te zeggen: ‘Wij zijn een links-activistische opiniesite’, want dat zijn ze. (Maar zou Apache zichzelf ook zo benoemen? Velen zouden de nieuwssite 'links' noemen, zelf houden ze niet van die omschrijving. Hoe moeten ze dan 'transparant' zijn over 'hun overtuiging'?)

Een klassiek journalistiek medium daarentegen, een algemene kwaliteitskrant als De Standaard bijvoorbeeld, die zich altijd ingeschreven heeft in de neutrale, onpartijdige traditie, een journalistiek die abstractie maakt van persoonlijke voorkeuren of filosofieën, en die op die manier een breed en divers publiek tracht te betrekken bij het nieuws – op welke manier kan zo’n medium daar ‘transparant’ over zijn?

Je kan zeggen dat je je in zo’n traditie inschrijft. Je kan trachten, door transparant te zijn over je bronnen en je werkwijze, om in de praktijk te tonen dat je ernaar streeft om dat ideaal waar te maken. Maar zoals het makkelijker is om transparant te zijn over een belangenconflict dan over het ontbreken ervan, zo is het makkelijker om een bewuste ideologische keuze toe te geven, dan om transparant te zijn over het ontbreken daarvan. Het expliciteren van ‘wij streven naar neutraliteit’ nodigt enkel uit om bewijzen te zoeken van het tegendeel.

En wat met overtuigingen, invloeden, achtergronden, identiteiten… waar je je als journalist, of als krant, minder van bewust bent, of waar je minder graag mee naar buiten komt? ‘Ik ben een linkse activist, dus ga ik in mijn journalistieke praktijk rücksichtlos op zoek naar machtsmisbruik van de neoliberale machtsbastionnen’ - dat is makkelijk genoeg gezegd. Maar je bent ook man. Je bent dertiger, veertiger, vijftiger… Je bent blank, of net niet. Je hebt slechte ervaringen met vrouwen gehad. Je ergert je onredelijk hard aan de vlotte humor in Woestijnvisprogramma’s, omdat je die associeert met een subcultuur op de middelbare school waar je nooit toegang toe hebt gekregen. Eigenlijk ben je niet goed in economie. Ergens sluimert er een frustratie omdat je je vader nooit hebt gekend. je bent bang dat je nooit zo'n goeie journalist zal zijn als Glenn Greenwald. (Ik verzin maar wat hé.) Al die zaken kunnen, potentieel, hun invloed hebben op je berichtgeving, en je selectie van onderwerpen. Maar ben je bereid daar transparant over te zijn? Kun je dat wel? Hébben mensen die mate van zelfinzicht?

Wat ons bij de laatste paradox brengt: er wordt van journalisten, of media, gevraagd dat ze transparant zijn over zichzelf. Waardoor er altijd een extra niveau overblijft, dat per definitie niet transparant is: de keuze van onderwerpen waar je transparant over wil zijn.

Het heeft geen zin om deze weg in te slaan, omdat die leidt naar een pikzwarte kloof. Mijn aanvoelen is dat deze transparantie – waar door lezers wel regelmatig om gevraagd wordt: waarom geven journalisten niet aan op welke partijen ze stemmen, waarom vertellen ze niet hoe ze zijn opgevoed? – er vooral is om wantrouwen weg te nemen. Maar dat is, de woorden van Steve Stevaert indachtig, alsof je het gat in de haag wil wegknippen. Wantrouwen is zelfvoedend.

Zoals ik in het begin zei: het is deel van de professionele ethiek van de journalist dat hij mogelijke beïnvloeding bij zichzelf erkent, en er dankzij de objectiverende methode weer afstand van neemt. Je kan maximaal transparant zijn door je werkwijze toe te lichten, je materiële bronnen openbaar te maken, en disclosures toe te voegen waar dat gepast is. Maar je kan nooit bewijzen, tegenover wie dat niet gelooft, dat je ter goeder trouw bent geweest.  Ik kan transparant aangeven dat ik bevriend ben met Kristien Hemmerechts. Maar ik kan niet bewijzen dat ik desalniettemin geoordeeld heb zoals ik dat in andere omstandigheden ook had gedaan. Zoals in elke menselijke interactie, is er een zekere mate van vertrouwen nodig.

Transparantie is er, zoals alles in de journalistiek, om de lezer een nog betere toegang te bieden tot informatie - zodat hij met nog meer kennis kan deelnemen aan het maatschappelijke leven. Of hij die informatie vertrouwt, daar heb je als journalist geen invloed op.

En tot slot:

Erken fouten en corrigeer ze snel, en op zo’n manier dat mensen die de verkeerde informatie tot zich hebben genomen, de waarheid toch zullen kennen.

Ja natuurlijk. Dat spreekt voor zichzelf.