Transparant over geld,  en waarover nog meer?
Duurzamer palmolie­-oogst op het Indonesische eiland Sumatra. Foto: Jimmy Kets

Als een reportage deels tot stand komt dankzij de belichte sector, is het beter dat openlijk te melden, zelfs al is van beïnvloeding geen sprake, vindt Tom Naegels. Maar dat open kaart spelen, hoe ver ga je daarin?

Drie buitenlandreportages werden elk op een andere manier bekostigd. Hoe transparant moet de krant daarover zijn?

Een lezer mailt me geregeld over buitenlandreportages. Hij weet dat De Standaard een relatief kleine krant is, die niet de budgetten heeft om journalisten om de haverklap naar het buitenland te sturen. Dus als het gebeurt, vindt hij dat de krant transparant moet zijn over hoe de reis bekostigd werd. Een betaling door een derde partij geeft immers een potentieel belangenconflict.

Zo stelde hij me in korte tijd drie vragen over drie reportages, alle drie uit Zuidoost-Azië: ‘Nergens groeit het geld zo goed als hier’, een lange reportage van Dorien Knockaert in dS Weekblad over de palmolieplantages in Indonesië en Maleisië (8 februari), ‘Het litteken van Rana Plaza’, een bezoek van Liza Jansen aan enkele textielateliers in het Bengaalse Dhaka (DS 19 april), en een reportage van Joeri Boom over transgenders in India, op de buitenlandpagina’s diezelfde dag: ‘Agenten slaan ons en willen gratis seks’.

Alle drie kwamen ze op een andere manier tot stand. Liza Jansen is een freelancejournaliste, die in Londen woont en correspondente is voor De Standaard. ‘Maar de afgelopen maand maakte ik een reis door Myanmar en Bangladesh’, vertelt ze me. ‘Die heb ik zelf bekostigd. Door de reportage te verkopen aan verschillende publicaties haal ik de kosten eruit.’

Joeri Boom woont dan weer in India. Hij is er correspondent voor NRC Handelsblad. De Standaard heeft een overeenkomst met die Nederlandse krant. Zijn verblijf wordt dus niet gefinancierd door een derde partij.

Dat was wel het geval bij het stuk over palmolie. ‘Dat was een lappendeken’, vertelt Dorien Knockaert me. ‘Het begon met een uitnodiging van de Malaysian Palm Oil Council, een organisatie die je kunt vergelijken met de Vlaamse Vlam: met geld van de industrie, en gesponsord door de overheid, staan die in voor sectorpromotie. Ze boden een persreis aan voor Franse journalisten, en ik kon ook mee. Mijn vliegtuigticket naar Maleisië en de rondreis daar zijn dus door hen betaald. Dat had ik ook in mijn reportage geschreven, maar bij het inkorten is het gesneuveld.’

‘Nu zou alléén een rit langs Maleisische palmplantages, georganiseerd door de producenten, geen evenwichtige reportage hebben opgeleverd. Daarom heb ik zelf nog een week aan de reis toegevoegd. Met de hulp van enkele ngo’s in de regio, Greenpeace op kop, ben ik naar Sumatra gegaan, waar ik de ontbossing en de ravage voor plaatselijke boeren heb beschreven. Omdat ik daar de vragende partij was, heeft De Standaard dat deel van de reis betaald: vliegticket, vervoer, hotels, eten en visum.’ Knockaert voegt eraan toe: ‘Palm Oil Council noch Greenpeace heeft mij iets doen beloven over de grootte of aard van het artikel, en niemand heeft het nagelezen voor het verscheen.’

Had dat er meteen beter bij gestaan? Ik vind van wel. Maar dan de hele uitleg – niet alleen de disclosure over de Palm Oil Council. Die zou immers de indruk hebben gewekt dat de reportage ‘verkocht’ was, terwijl Knockaert net inspanningen gedaan heeft om eventuele beïnvloeding teniet te doen. Uit haar stuk blijkt ook geen sympathie voor de palmolieproducenten, al wordt ook hun visie weergegeven, wat maar logisch is.

Nieuwe objectiviteit

Transparantie is een populair onderwerp onder nieuwswatchers. Sommigen noemen het ‘de nieuwe objectiviteit’, anderen ‘de nieuwe onafhankelijkheid’ – in beide gevallen wordt bedoeld dat transparantie een eerlijker alternatief is voor het ideaal dat een journalist op eigen kracht, zonder enige invloed van buitenaf, en gebruik makend van een objectiverende methode van verificatie, de waarheid kan benaderen. Is het in een nieuwe digitale omgeving, waar in principe iedereen journalist kan zijn en mensen met een duidelijke agenda (Glenn Greenwald of Julian Assange) mee de belangrijkste onthullingen van de laatste jaren hebben gerealiseerd, niet eerlijker om open kaart te spelen over wie je bent, waarom je voor dat verhaal gekozen hebt en welke praktische keuzes je hebt moeten maken?

Geld is in dat hele verhaal nog de meest eenvoudige factor. Erkennen wie er financieel heeft bijdragen, is niet zo moeilijk. (Hoewel deelredacties andere tradities hebben: van restaurantrecensenten wordt verwacht dat ze zelf hun maaltijd betalen, maar een theaterrecensent krijgt wel zijn tickets gratis.) Maar wat doe je met meer persoonlijke invloeden? Vriendschappen, sympathieën, lidmaatschappen? Is het niet net je professionele plicht als journalist om al die potentiële invloeden bij jezelf weliswaar te erkennen, maar er vervolgens ook weer afstand van te nemen? Wat voor nut heeft het om dat op te sommen? Loop je niet net het risico dat je onnodig wantrouwen creëert? En botst die roep om transparantie niet met andere deontologische verplichtingen?

De komende weken wil ik deze moeilijke kwestie verder uitdiepen. Online vindt u een langer essay over transparantie in de krantenjournalistiek; ik hoop dat u mee wil discussiëren. Volgende week debatteer ik met mijn collega’s-ombudslieden op een congres in Hamburg over de kwestie – op mijn blog zal ik hun inzichten delen. In de hoop om zo te komen tot een haalbare transparantie voor een krant als De Standaard.

Debatteer mee op standaard.be/ombudsman