Peter Van Aelst, professor aan het departement Politieke Wetenschappen van de universiteit van Antwerpen, publiceerde net het boek "De mediatisering van de Vlaamse politiek". Ik schreef er de inleiding bij - die u hieronder kan lezen.

Mensen verwachten veel van de journalistiek. Omdat ze die een haast onbeperkte invloed toeschrijven. Daarom zijn ze vaak boos op journalisten. Als er vooroordelen tegen minderheden bestaan, dan komt dat doordat de media die minderheden negatief hebben geportretteerd. Tonen mensen weinig respect voor kunstenaars of hun werk, dan komt dat doordat cultuurverslaggeving oppervlakkig geworden is. Als burgers onvoldoende kritisch staan tegenover de macht, dan is het omdat er geen diepgravende onderzoeksjournalistiek meer wordt beoefend. Als burgers daarentegen té kritisch staan tegenover de macht, dan komt het doordat het nieuws enkel oog heeft voor conflict. De redenering werkt in beide richtingen: opdat er méér respect voor minderheden, kunstenaars of politici zou zijn, meer betrokkenheid van de burger bij de democratie, of in het algemeen meer kennis van wat er écht toe doet, volstaat het dat de media hun berichtgeving aanpassen. De samenleving zal wel volgen.

Om maar te zeggen dat ‘mediatisering’, het onderwerp van dit boek, meer is dan een academisch concept. Vaak denk ik dat de moderne Westerse burger de hele maatschappij waarin hij leeft, de cultuur waar hij deel van uitmaakt, en de dominante overtuigingen die daar heersen, als ‘gemediatiseerd’ beschouwt – en zichzelf als de onwillige speelbal, die zich afwisselend verzet tegen de macht die de media zich hebben toegeëigend, én eist dat ze er verantwoordelijker mee omspringen.

Die dubbele houding merk je zeker als het gaat over politieke verslaggeving. Politiek geldt als het domein van de onafhankelijke burger, die zelfstandig, niet-beïnvloed door wie of wat dan ook, zijn eigen mening vormt over het werk van zijn volksvertegenwoordigers, die hij zelf gekozen heeft. Het is het domein van de res publica, de publieke ruimte waar gelijkwaardigen met elkaar in gesprek gaan over de richting waar hun samenleving uit moet. Het idee dat dat gesprek zou kunnen worden beïnvloed door een derde partij, een nieuwsindustrie die eigen wetten en formats en frames volgt, die sommige brokken informatie uitlicht en anderen koudweg negeert, die sommige politici veel aandacht geeft en anderen geen seconde, en die om de haverklap nieuwe onderwerpen aanreikt die het gesprek van richting doen veranderen, doet velen steigeren van verontwaardiging.

Als nieuwsombudsman ervaar ik die verontwaardiging iedere dag. Of het nu gaat over de manier waarop er over peilingen wordt bericht, over de partijen die werden geselecteerd voor een online kieswijzer, over de kritische toon van een analyse, de spottende toon van een column, de vraagstelling in een politiek interview of de keuze van de titel boven een voorpaginastuk, aldoor klinkt het verwijt, van politici én van burgers gelijk: ‘Beseffen jullie dan niet dat jullie mensen hiermee beïnvloeden? Jullie zijn niet de vierde, maar de eerste macht geworden!’

Het is niet eenvoudig zulke klachten te behandelen. Of om er zelf klaar in te zien. De invloed van de journalistiek is reëel, en tegelijk werkt ze op een andere manier door dan gedacht. Politici, kritische burgers en mediacritici hebben de neiging ze te overschatten. Journalisten hebben dan weer de neiging ze te minimaliseren. Daarom ben ik blij met de analyse die Peter Van Aelst in dit boek maakt – een genuanceerde, evenwichtige, realistische beschrijving van de relatie tussen politiek en politieke journalistiek, die toelaat de sterktes en zwaktes ervan te onderkennen.

Wat dit boek heel goed laat zien, is dat de eenduidige modellen waar velen mee werken, en waarbij een vaststelling over een deelaspect de oorzaak wordt van alles, geen zoden aan de dijk zetten. Ja, het politieke nieuws moet, zeker op televisie, sneller, snediger en korter dan vroeger, en een goed getraind politicus moet alles in 22 seconden kunnen uitleggen. Tegelijk is er vandaag veel méér politiek nieuws dan vroeger, en worden kijkers (en lezers) dus over veel meer politieke gebeurtenissen ingelicht. Snelheid betekent dus niet noodzakelijk oppervlakkigheid.

Ja, het nieuws geeft systematisch meer aandacht aan wie al groot is, en aan de macht. En toch belet dat niet dat groten zijn gevallen en dat kleintjes zijn gegroeid.

Ja, journalisten gaan vaak informeel en hartelijk met politici om. Maar het is een berekende informaliteit. Op cruciale ogenblikken speelt elk zijn eigen rol.

Ja, journalisten noemen zichzelf in meerderheid ‘links’ of ‘progressief’. Maar wie een analyse maakt van de berichtgeving, kan maar moeilijk een partijpolitieke voorkeur ontwaren. En journalisten noemen zichzelf ook linkser dan het medium waar ze voor werken – iets waar de aanhangers van de ‘het nieuws bevoordeelt links’-theorie dan weer overheen fietsen.

Ja, de wetten van het nieuws zijn dwingend, en niet-neutraal – een gebeurtenis moet aan bepaalde kenmerken voldoen, voor ze in het nieuws kan komen. Maar die wetten zijn wél onpartijdig – politici uit om het even welke partij kunnen ze gebruiken om zichzelf in de aandacht te spelen.

En ja, media zijn een natuurlijk onderdeel geworden van politiek bedrijven. Parlementsleden stellen een parlementaire vraag in de hoop ermee in de krant te komen. Partijvoorzitters communiceren liever strategisch op tv dan dat ze debatteren in het halfrond. Ministers moeten hun agenda omgooien om te reageren op het onderwerp van de dag. Regeringsonderhandelingen worden bemoeilijkt door lekken. Maar tegelijk zie je dat op andere politieke niveaus partijvoorzitters worden gekozen, ministers worden aangesteld, de begroting wordt opgemaakt, een buitenland- of defensiebeleid wordt uitgestippeld… zonder dat de media-agenda daar enige invloed op heeft. Veel wetten, toch een core business van de politiek, worden zelfs gestemd zonder dat er maar een journalist over heeft bericht. En de Europese Unie, het machtigste politieke instituut in onze contreien, opereert ook al zonder veel coverage. Er bestaat dus nog heel veel politiek buiten het zoeklicht van de media. Misschien zelfs een beetje te veel.

De twee laatste inzichten bieden, in mijn ogen, het beste vertrekpunt om de relatie tussen politiek en journalistiek te begrijpen, en na te denken over hoe ze in de toekomst verbeteren kan. Nieuws is een procedure. Het wordt beheerst door een doorgaans onuitgesproken maar niettemin dwingende reeks professionele waarden en regels, gerelateerd aan psychologische wetmatigheden en culturele gewoontes, waar journalisten even hard rekening mee moeten houden als de mensen over wie ze schrijven. Dat heeft het grote voordeel dat de persoonlijke overtuiging van de journalisten zelf, of die van de private eigenaars van de kranten (want ook de tegengestelde theorie is invloedrijk) betrekkelijk weinig invloed heeft op de inhoud van het nieuws. Zelfs al zou een linkse journalist het willen (quod non), dan nog kan hij de N-VA niet uit het nieuws houden. Zelfs al zouden de aandeelhouders van De Persgroep of Mediahuis het willen (quod non), dan nog kunnen ze niet verhinderen dat PvdA+ vandaag een stuk mediagenieker is dan vroeger. Het heeft het al even grote voordeel dat partijen en politici hun agenda niet aan de journalisten kunnen opleggen – wat botst met de professionele medialogica, komt er niet in.

Tegelijk is het de zaak erop toe te zien dat politiek én journalistiek allebei even onafhankelijk kunnen blijven opereren; dat de onafhankelijkheid van de ene niet de afhankelijkheid van de ander gaat betekenen, of dat ze zelfs afhankelijk zouden worden van de eigen onafhankelijkheid, als u mij die paradox vergeeft. Ik bedoel ermee dat het nieuws, precies omdat het berust op zulke onwrikbare procedures, ook journalisten zelf kan gaan manipuleren. Alle grote nadelen van de journalistiek komen voort uit een machteloosheid tegen de wetten van het nieuws: het opjagen van politici en elkaar, het opkloppen van kleine conflicten, de veel grotere aandacht voor de communicatie van politici dan voor hun beleid… Een groter inzicht in de nieuwswaarden, de wetten die maken wat nieuws is, kan zowel journalisten als politici helpen om controle te houden over die wetten, om elkaar niet mee te sleuren naar een plek waar geen van beiden wil zijn.

Peter Van Aelst beperkt zijn definitie van het politieke in dit boek (verstandig genoeg) tot de professionele activiteiten van beroepspolitici (campagne voeren, verkozen raken, wetsvoorstellen indienen, beleid voeren…) en de berichtgeving daarover. De potentiële politieke impact van nieuwsmedia gaat natuurlijk verder dan dat. De Vlaamse nieuwsmedia zijn seculier. Dat betekent dat een religieus geïnspireerd standpunt, ook over politieke onderwerpen (euthanasie bijvoorbeeld), harder moet vechten om gehoord en aanvaard te worden. Vlaamse nieuwsmedia zijn dominant blank, autochtoon. Dat betekent dat autochtone Vlamingen om honderdeneen verschillende redenen en in honderdeneen contexten in het nieuws komen – positief en negatief, ernstig en luchtig… Allochtonen daarentegen duiken slechts op in een aantal, zeer herkenbare contexten – als ze de autochtonen opvallen. (En ook dat heeft partijpolitieke consequenties, omdat diversiteit als politiek thema daardoor ook strak omschreven wordt.) Nieuwsmedia zijn een spreekbuis van de middenklasse. Dat betekent dat de besognes van mensen in armoede veel minder vaak, veel minder uitgebreid en veel minder ‘natuurlijk’ in het nieuws zullen komen. En dat het dus moeilijker is voor een politicus om bv. armoedebestrijding als verkiezingsthema naar voren te schuiven. Ook dat zijn fundamentele inzichten, al is het wel de vraag waar de ‘mediakritiek’ overgaat in de ‘cultuurkritiek’. (Tenzij je natuurlijk denkt, zoals ik aan het begin beschreef, dat de cultuur zélf gecreëerd wordt in de media.)

Het is goed dat allemaal voor ogen te houden, te begrijpen, en die inzichten te gebruiken om – als politici én als redactie – de controle te behouden over het eigen werk. De mediatisering van de politiek is een feit, heeft een diepe impact, maar niet de kwalijke gevolgen die velen menen te zien. Wel mag je er niet de slaaf van worden – niet als politicus, niet als journalist, en ook niet als burger. Dat is de boodschap van dit boek. Wie droomt van een zuivere, rechtstreekse, niet-gemedieerde relatie tussen het volk en haar vertegenwoordigers, is een utopist. Wie denkt dat het nieuws kiezers en politici stuurt en manipuleert – en dat het dat doet omdat journalisten links zijn, of hun bazen rechts, of omdat er nu eenmaal heel veel geld verdiend moet worden – is  een populist. Wie denkt dat ‘het nieuws’ gewoon ‘het nieuws’ is dat enkel ‘de feiten’ weergeeft en verder niets, is een negationist. Maar wie de wetten van het nieuws goed begrijpt, en helder ziet in de complexe relatie tussen de politiek en de verhalen die over haar verteld worden, die is in staat op een volwassen, realistische, en toch kritische manier om te gaan met de cultuur waarin hij leeft.

Dit boek draagt daartoe bij.