In Japan is de jarenlange strijd tegen het deflatiegevaar recent opgevoerd. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor een verhoging van de lonen. Christophe Dumont, econoom bij Candriam, neemt de maatregelen en gevolgen door.

In april 2013 heeft de nieuwe raad van bestuur van de Bank of Japan (BoJ), in lijn met het uitdrukkelijk voornemen van de nieuwe regering onder leiding van Shinzo Abe, beslist om met alle macht de deflatie te bestrijden waarin Japan nu al meer dan een decennium gevangen zit, met een streefcijfer voor de inflatie van 2% tegen 2015. Om dit doel te bereiken, heeft de BoJ beslist om zijn jaarlijkse aankopen van activa op te schroeven van 35 biljoen yen naar 55 biljoen yen (50 biljoen aan Japanse overheidsobligaties, 1 biljoen ETF's, 30 miljard voor Japanse vastgoedfondsen, 2,2 biljoen aan commercial paper en 3,2 biljoen aan bedrijfsobligaties). Door dit programma zou de geldbasis moeten aangroeien tot 270 biljoen yen (55% van het bbp) tegen eind 2014 (van 142 biljoen begin april 2013). (zie grafiek 1)

In de nasleep van deze gedurfde wijziging in het beleid, wezen enquêtes al snel op een stijgend aantal gezinnen en bedrijven die een positieve inflatie verwachtten (zie grafiek 2). Maar om de deflatie echt definitief achter zich te laten, moet deze perceptie zich doorzetten en op een gegeven moment uitmonden in hogere lonen, zodat de totale vraag stijgt en de neerwaartse druk op de prijzen verdwijnt. Want hoewel de consumptieprijzen sinds 2000 met 3% gedaald zijn, is het gemiddelde nominaal loon per werknemer immers met 12% gedaald, een koopkrachtverlies van 8%. (zie grafiek 3)

In een dergelijke context was de jaarlijkse rengo, de loonsonderhandelingen tussen werkgevers en vakbonden die in februari en maart plaatsvond, dan ook erg belangrijk. Premier Abe verzocht de bedrijven in hoogsteigen persoon om de lonen te verhogen en hem de deflatie te helpen overwinnen. Deze onderhandelingsronde was des te belangrijker omdat de btw pas verhoogd werd van 5% tot 8% (1 april 2014), wat de koopkracht van de gezinnen opnieuw aantast.

 

Wat heeft de rengo opgeleverd? Het salaris van Japanse werknemers bestaat uit drie componenten: het voorziene basisloon (belangrijkste deel), de extra verloning (bonus) en het niet-voorziene loon (overuren). De laatste loononderhandelingen resulteerden in een gemiddelde verhoging van 0,4% van het basisloon. Hoewel dit een verbetering is in vergelijking met de voorbije jaren (gemiddeld -0,45% tussen 2010 en 2013) blijft het onder het huidige inflatiecijfer (de inflatie bevindt zich terug in positief territorium, met 1,5% in februari). Op deze manier zullen overuren en bonussen dus van essentieel belang zijn voor de algemene loonontwikkeling... anders zal de reële consumptie opnieuw dalen...alweer! De overuren zouden mee moeten evolueren met de economische activiteit (d.w.z. een herstel in de tweede helft van het jaar, na een daling in het tweede kwartaal). Als we er redelijkerwijs van uitgaan dat de bonussen zullen terugkeren naar het gemiddelde niveau van voor de crisis (2,9 maanden van het jaarlijks voorziene basisloon tegen de huidige  2,7), zou het totale loon per werknemer moeten stijgen met 1,2% in 2014 en verder stijgen met 2,3% in 2015. Rekening houdend met de verwachte toename van de tewerkstelling met 0,8% in de komende 2 jaar, zou de loonmassa kunnen aandikken met 2% in 2014 en met 3,1% in 2015. Hoewel voorzichtigheid geboden is, zou dit de weg kunnen vrijmaken voor een 'virtueuze cirkel' die Japan uit de deflatie trekt: hogere lonen leiden tot meer consumptie, een lagere reservecapaciteit, meer investeringen en, uiteindelijk, een inflatiecijfer dat consistent boven nul blijft.