Gaea Schoeters is journaliste en schrijfster. De roman ‘De kunst van het vallen’ is pas uit. Ze is gastcolumniste tijdens de paasvakantie op dinsdag.

‘Ik heb nog nooit een echt lijk of een vrouwentepel gezien. Dat komt ervan, als je in een doodlopende straat woont.’ Welkom in de wereld van Adrian Mole, 13 ¾ jaar. Zijn tienerjaren zijn intussen helaas al lang voorbij, en ook zijn eigen dood zal hij nooit meemaken, nu zijn geestelijke moeder, Sue Townsend, overleden is.

Ach. Adrian. Geen andere puisterige tiener heeft ooit zoveel harten beroerd. Nochtans had hij zelf vooral liefdesproblemen: hoe moest hij, een arme jongen uit een arbeidersgezin met scheidende ouders, ooit in de gunst komen bij Pandora, de mooie tienerdochter van het middenklasse-gezin next door? Hoe moest hij zich als jonge intellectueel (in die tijd was dat geen scheldwoord, maar een feature waarmee je meisjes kon verleiden) ontwikkelen in een gezin waar, zoals hij verzuchtte, ‘mijn vader stiekem de Playboy leest bij kaarslicht, terwijl ik Dickens’ Hard Times probeer te lezen bij het licht van mijn sleutelhanger?’

Soms, als ik kijk naar de tieners van nu, mis ik Adrian. Niet alleen omdat hij boeken las (al baart het me ernstig zorgen als ik zeventienjarigen hoor zeggen dat ze kiezen voor een taalopleiding, want ‘dat lezen daar tegenwoordig niet meer per se moet’), maar omdat hij, in al zijn naïviteit, blijk gaf van een grote sociale betrokkenheid. Niet alleen door zich te ontfermen over de nukkige gepensioneerde Bert Baxter, zijn maatschappelijke engagement klonk ook door in de puberale poëzie die hij schreef: de ene helft van zijn gedichten ging over pukkels en Pandora, de rest over de nieuwe armen in het Thatcher-tijdperk. (Engels, you catalogued the misfortunes of the poor in days of yore, little thinking that the poor would still be with us in nearly 1984.) Over wachten op de cheque die niet kwam. (They give us Job Creation Schemes. When what we want are hopes and dreams.) Over de mijnstakingen, en de verantwoordelijkheid van de Iron Lady voor de miljoenen werklozen (When you’re dressing in your blue, do you see the waiting queue? Do you weep, Mrs Thatcher, do you weep?).

In het jaar dat ik Adrian & zijn dagboek leerde kennen, hadden wij thuis een maand lang een Brits meisje te logeren. Eve, heette ze. Ten tijde van de mijnstakingen was het ellende troef in het stadje waar zij vandaan kwam; zolang er gestaakt werd, was er nauwelijks geld voor eten. Na de mijnsluitingen werd het er niet beter op, en dus kwam Eve het jaar daarna terug. Intussen houdt de nieuwe crisis ook al een paar jaar aan; uit Zuid-Europa bereiken ons even onheilspellende berichten als in de jaren ’80. Over gezinnen die uit hun huis gezet zijn, burgerlijk ingenieurs die sigaretten moeten verkopen om rond te komen, en bejaarden die van geluk mogen spreken als iemand hen af en toe iets te eten toeschuift. De problemen van toen zijn niet verdwenen, maar waar is onze solidariteit naartoe? Ik heb hier nog geen Grieks kind gezien, geen Spaans, geen Portugees.

Alleen al daarom zou ik de pubers van nu Adrian’s Dagboek in de hand willen duwen. Of zijn Groeipijnen. Want zíj zouden dit onrecht moeten aanklagen. Regeringen dwingen zich socialer op te stellen. Hun ouders een geweten schoppen. In plaats van in een luie stoel hun puisten te fotoshoppen voor ze hun nieuwste selfie op Facebook gooien. Terwijl de burgeroorlog in Syrië rustig doorgaat en de Koude Oorlog met Rusland heropflakkert. De straat opgaan? Betogen? Ho maar. Ze merken het nauwelijks. Eigen navel eerst. Zolang hun welvaart maar behouden blijft, hier in hun Kleine Vlaanderen, staan zij niet op.

Ach, misschien was Adrian Mole niet zoveel beter. Hij schreef dan wel protestgedichten, maar lag toch ook vooral in een luie stoel, geveld door liefdesverdriet. Geschokt door het overspel van zijn moeder. Panisch over de dreigende echtscheiding van zijn ouders. Misschien is dat wat pubers doen. Als ze al iets doen. Ook Adrian was niet zo’n doener. Lees het na in de hilarische scène waarmee Sue Townsend het eerste Dagboek afsluit: Adrian heeft, bij een poging tot lijmsnuiven, per ongeluk een modelbouwvliegtuigje aan zijn neus vastgeplakt. Hij besluit laconiek: ‘Ik heb Pandora opgebeld. Ze komt hierheen na haar vioolles. Liefde is het enige wat mij bij zinnen houdt.’ Het was Townsends lievelingscitaat.

Misschien moeten wij Mole ook herlezen. Misschien is het wel aan ons om iets te doen. Tenminste, als we het, in onze Cappuccinojaren, zelf niet te druk hebben met navelstaren.