Honderd dagen van nationale rouw in Rwanda
Foto: AP

Rwanda maakt zich op voor honderd dagen van nationale rouw, twintig jaar na de genocide van 1994. Die heeft in evenveel tijd aan zowat 800.000 mensen het leven gekost. Kigali hangt de herdenking op aan de verzoening, al is die volgens sommigen ver van rond.

Het vuur kwam aan de lont op de avond van 6 april 1994, toen president Juvénal Habyarimana - een Hutu - omkwam bij een aanslag op zijn vliegtuig. Daags nadien werden ook premier Agathe Uwilingiyimana, tien Belgische blauwhelmen en verschillende andere politici gedood.

Genocide

Zowat meteen begon het moorden op grote schaal. De Tutsi-minderheid, maar ook gematigde Hutu’s moesten het daarbij ontgelden. Tutsi’s werden door de overheid zonder onderscheid beschuldigd van samenheulen met de rebellie die sinds enkele jaren in het noorden aan de gang was, inclusief namenlijsten met te doden personen.

“Inyenzi” - kakkerlakken in het Kinyarwanda - werden ze door Radio Télévision Libre des Mille Collines genoemd, de Huturadio die de haat aanstookte en het moorden opzweepte. Vooral de Interahamwe-milities en de Forces armées rwandaises gingen over tot het systematisch afmaken van Tutsi’s en gematigde Hutu’s die weigerden deel te nemen aan de moordpartijen.

De genocide duurde zowat honderd dagen, waarbij mensen thuis of op straat vermoord werden, vaak met enkele houwen van een machete. De Interahamwe, voordien de jongerenbeweging van de vermoorde president Habyarimana, vervelde tot een echte moordmachine.

Belgische para’s

Ingrijpen deed de internationale gemeenschap niet. Op 21 april, op het hoogtepunt van de gruwel, werd zelfs beslist de VN-missie UNAMIR verder af te bouwen tot nog 270 manschappen. Bij gebrek aan internationale rugdekking bleek de missie absoluut niet in staat het bloedvergieten te stoppen. Dat ons land de Belgische blauwhelmen al unilateraal had teruggetrokken na de moord op de tien para’s begin april, was daar evenmin vreemd aan.

Uiteindelijk stopte het moorden pas toen de hoofdstad Kigali werd ingenomen door het FPR (Front Patriotique Rwandais), de Tutsi-rebellenbeweging die geleid werd door Paul Kagame, de latere president van Rwanda.

Verdeeld land

Intussen was het land echter diep verdeeld, met vele honderdduizenden doden en evenveel schuldigen en medeplichtigen. Duizenden speciale volksrechtbanken - de gacaca’s - moesten dat vanaf 2001 behapbaar helpen maken. Meer dan 2 miljoen mensen stonden terecht, waarvan zowat twee derde schuldig bevonden werd.

Het systeem van de gacaca’s was niet zonder controverse, omdat het volgens ngo’s niet strookte met de internationale normen voor een eerlijk proces. Rechters waren onervaren, verdachten kregen niet altijd goede advocaten en mensen werden soms vals beschuldigd. De voorstanders claimen dan weer dat de gacaca’s net hielpen bij de verzoening van het verscheurde land.

Tijd nodig

Ook het regime in Kigali schermt met die verzoening, al zijn lang niet alle waarnemers daarvan overtuigd. ’Het politieke Rwanda lijkt zich verzoend te hebben, maar sociaal gezien is meer tijd nodig’, denkt de Franse experte Hélène Dumas bijvoorbeeld. ‘Zeker meer dan één generatie.’

Voor de grote jongens golden de gacaca’s trouwens niet. In november 1994 al stampten de Verenigde Naties het Rwanda-tribunaal uit de grond in het Tanzaniaanse Arusha. Richard Goldstone was de eerste hoofdaanklager, nadien volgde onder meer ook Carla Del Ponte, die dezelfde functie had bij het Joegoslavië-tribunaal.

Vier jaar na de oprichting sprak het Rwanda-tribunaal de eerste levenslange gevangenisstraffen uit. Het tribunaal nam daarbij ook verkrachting en seksueel misbruik op als daden van genocide. De uitspraken vormden de eerste internationale juridische erkenning van de genocide tegen de Tutsi-minderheid. Nadien hebben onder meer ook in België, Frankrijk en Canada processen plaatsgevonden.

100 dagen nationale rouw

Twintig jaar na de bloedvergieten maakt Rwanda zich op voor honderd dagen van nationale rouw. Die starten op 7 april met een reeks plechtigheden en een herdenkingsmars naar het grootste stadion van Kigali, waar vervolgens een wake plaatsvindt.

De herdenking is ook diplomatiek niet onbelangrijk voor Rwanda. Kigali werd jarenlang erg gunstig behandeld door de internationale gemeenschap, die zich schuldig voelde voor het absolute gebrek aan daadkracht en pogingen om de genocide een halt toe te roepen.

Twintig jaar later lijkt die bevoorrechte positie verkwanseld. Zelfs nauwe bondgenoten als de Verenigde Staten namen recent wat afstand van Kigali en gaven openlijk kritiek, onder meer op de rol die Rwanda speelt in het aanhoudende geweld in Oost-Congo.