Spektakelstatistiek

Eén vrouw op de drie was al ooit slachtoffer van geweld. Het leest spectaculair, maar Tom Naegels had er graag iets meer context bij gehad. Geweld binnen relaties, of tegen vrouwen is immers een te belangrijk onderwerp om te begraven in hyperbolen.

Afgelopen week was het internationale vrouwendag, en dan verschijnen er trieste cijfers in de media over geweld tegen vrouwen. ‘Eén vrouw op de drie is slachtoffer van geweld’ titelde de krant op 6 maart, het resultaat van ‘de grootste enquête ter wereld’, door het EU-agentschap voor fundamentele rechten, bij 42.000 vrouwen tussen 18 en 74 in alle Europese lidstaten.

Het is ver van mij om geweld te willen relativeren. Maar dat percentage deed me toch duizelen. Eén Europese vrouw op de drie? En dien ik dat dan nog op te tellen bij de andere hallucinante percentages die ik de laatste weken heb mogen lezen, zoals ‘Psychisch partnergeweld in helft van alle relaties’ (DS 11 maart) en ‘Kwart Belgische vrouwen al door partner gedwongen tot seksuele betrekkingen’ (DS online 19 februari) ?

Ik heb de (samengevatte) onderzoeken gelezen waar de artikels op gebaseerd waren, en telkens moest ik besluiten dat de redacteur de resultaten correct had weergegeven. De genoemde percentages staan er dus in. Maar het is ondertussen een stokpaardje van me geworden: ik vind dat de krant zulke resultaten in context moet plaatsen, met elkaar verbinden, anticiperen op de maatschappelijke consequenties of vragen die de cijfers oproepen. Je dóét immers iets met die informatie, als lezer: je eigen gedrag in vraag stellen, een actiegroep steunen, je afvragen of er een politieke oplossing voor bestaat. Maar als je geconfronteerd wordt met een opbod aan percentages, dan dreigt de onverschilligheid.

Hoe komen de onderzoekers aan zulke hoge getallen? Door een heel brede set aan criteria te gebruiken, en ook de tijdspanne waarbinnen wordt gemeten, ruim te nemen. De EU-enquête, bijvoorbeeld, vroeg aan de 42,000 vrouwen uit de steekproef, van wie de oudste dus 74 is, of er sinds hun vijftiende levensjaar iemand, om het even wie, hen ooit een keer had geduwd, gesleurd, geschopt, vastgegrepen, aan de haren getrokken, geslagen, gebokst, neergeknuppeld, verbrand, gewurgd, gestoken, beschoten, iets hards naar hen had gegooid, of hun hoofd ergens tegenaan had geslagen. Ik minimaliseer niets, maar dat zijn veel mogelijkheden, over een lange termijn, en het ene geweld is ernstiger dan het andere. Vanzelfsprekend komen ‘duwen’ en ‘aan de haren trekken’ het vaakst terug. Als ikzelf de vraag zou krijgen, zou ik ook ‘ja’ moeten antwoorden: op mijn zestiende heb ik gevochten in de klas, en daarbij werd mijn hoofd tegen de tafel geslagen. (Ikzelf trachtte hem te bijten.) Zie ik mezelf als een ‘slachtoffer van geweld’? Nou nee.

Hetzelfde gaat op voor het psychische geweld uit het artikel van 11 maart. Het doctoraat van psychologe Sabine Hellemans, deel van de Sexpert-studie in opdracht van het IWT, onderzocht wat onder psychologen ‘algemeen koppelgeweld’ wordt genoemd: agressief gedrag dat mensen stellen als er spanningen of ruzies zijn in een relatie. Bij ‘psychisch geweld’ wordt daarbij ook gedrag gerekend als ‘weigeren een woord te zeggen’ of ‘bekritiseren of bespotten’. Vanzelfsprekend komen die vaker voor dan het ernstigere ‘intimideren, bedreigingen uiten’ of ‘je isoleren van je familie of vrienden’. De steekproef bevroeg mensen bovendien niet alleen over hun huidige relatie, maar ook hun vorige, wat de kans op een positief antwoord aanmerkelijk verhoogde. (In een ander artikel van dezelfde academica daalt het percentage ‘psychisch geweld’ naar 14 procent als er enkel wordt gepeild naar ervaringen in de laatste twaalf maanden.) In de samenvatting van het doctoraat wordt benadrukt dat onenigheid en conflict inherent zijn aan relaties, dat er voornamelijk ‘lichte’ vormen van geweld werden gemeten, dat het onzeker is of de betrokkenen die zelf ook als ‘psychologisch geweld’ ervaren, en dat er een verschil is met ‘intiem terrorisme’ – wat de wetenschappelijke term is voor wat leken zoals ik ‘psychisch geweld’ noemen.

Om fair te zijn tegenover de krant: ook in het artikel wordt dat uitgelegd. Maar dat neemt niet weg dat, los van de academische context, waar je ieder woord kan definiëren zoals je wil, in het gewone taalgebruik een titel als ‘Psychisch partnergeweld in helft van alle relaties’ klinkt alsof dit land bevolkt wordt door psychopaten.

5 procent ooit verkracht

Ik besef dat ik me op glad ijs begeef. Dit is zo’n onderwerp dat degene die met het hoogste percentage komt, alle anderen seksistisch kan doen lijken. Maar toch wil ik ervoor pleiten dat een krant niet meedoet aan spektakelstatistiek. Geweld binnen relaties, of tegen vrouwen, of in het algemeen tussen mensen is een te belangrijk onderwerp om te begraven in hyperbolen. Uit het EU-onderzoek leer ik dat 10 procent van de vrouwen ooit in hun leven ernstig geslagen of geschopt werd. 5 procent van de vrouwen werd ooit in hun leven verkracht. Dat vind ik ernstig, omdat het in dat geval niet uitmaakt of het geweld gisteren gebeurde, of dertig jaar geleden. De gevolgen blijven. Uit het onderzoek van Hellemans leer ik dat mannen en vrouwen, holebi’s en hetero’s, autochtonen en allochtonen in gelijke mate slachtoffer zijn van ‘gewoon’ partnergeweld. Uit een vorig onderzoek van haar leer ik dat 2,8 procent zijn of haar partner heeft geïntimideerd met bedreigingen, en 3 procent getracht heeft het contact met vrienden en familie te beperken. Het is dan misschien niet de volle honderd procent, of waarom niet: 250 procent!, maar het zijn, volgens mij, feiten en cijfers en absolute aantallen waar een krant mee aan de slag kan, als ze een probleem op de agenda wil zetten.

Opmerkingen over journalistiek in De Standaard kan u melden via ombudsman@standaard.be en via www.standaard.be/ombudsman, waar u ook links vindt naar zijn Facebook- en Twitterpagina (@OmbudsDS)