In 2004 kwamen op 11 maart (11-M zoals de Spanjaarden de dag noemen) door vrijwel gelijktijdige bomexplosies in vier treinen in de ochtendspits 191 mensen om het leven. Bijna tweeduizend anderen raakten gewond.

Aanvankelijk wees de regering naar de Baskische afscheidingsbeweging ETA, maar een paar dagen later arresteerden de politie achttien moslimextremisten. Al-Qaeda was tegen de steun van de toenmalige Spaanse regering voor de oorlog in Irak en de aanwezigheid van Spaanse militairen in Afghanistan.

Premier Rajoy op Twitter:

De grootste plechtigheid vond plaats in de Almudena-kathedraal in Madrid, waar een duizendtal mensen, onder wie (familieleden van) slachtoffers, hulpverleners, brandweerlui en agenten, samen met koning Juan Carlos, koningin Sofia en premier Mariano Rajoy de aanslagen herdachten. Juan Carlos, steunend op een wandelstok na een heupoperatie, en Sofia omhelsden bij de ingang van de kathedraal verschillende voorzitters van slachtofferverenigingen.

Na de dienst begon in het Retiro-park een herdenkingsbijeenkomst. Een moeder die haar dochter verloor, en voorzitter is van een organisatie van slachtoffers van terreur, hield een toespraak in het park. ‘Sinds 11 maart 2004 adem ik nog wel, maar je kan het geen leven noemen’, zei ze, meldt de NOS.

Aan de ingang van verschillende Madrileense treinstations hangen bloemen aan de ingang om de doden te herdenken.

Nu tien jaar later is Spanje nog steeds een potentieel doelwit voor Al-Qaeda, zegt de minister van Binnenlandse Zaken, Jorge Fernández Díaz. ‘Sinds de dag van de aanslagen zijn in Spanje 472 verdachte islamisten opgepakt. Het alarmpeil van de Spaanse antiterreurdiensten ligt op het op één na hoogste niveau, klinkt het. ‘Dat betekent dat er een zeker risico op een nieuwe aanslag is.’