INTERVIEW | Gerard Mortier. Gesprekken over humanisme
Gerard Mortier. Foto: EPA
Gesprekken over humanisme Gerard Mortier aan het woord Uitkijkend over een weids strand en een verre zee bij valavond, interpreteert Gerard Mortier het humanisme, in historisch perspectief.

Een eeuwenoud verhaal met relevantie voor de wereld van vandaag en waarin ook de stem van het theater, de literatuur en de opera doorklinkt. Dat brengt ons op de vraag naar wat er vandaag met de kunst aan de hand is.

Gerard Mortier is eerder pessimistisch en praat over gemiste kansen, maar ook over kunst als een uiting van de creativiteit van de menselijke geest. Kunst is in zijn ogen niet een franje, maar een existentieel menselijk gegeven dat ook samenlevingsproblemen bespreekbaar maakt en helpt aan te pakken.

Tenslotte spraken we over de stad die ons dwingt na te denken over hoe we met onze onderlinge verschillen kunnen omgaan.

Om iets echt te begrijpen, bekijk ik de dingen altijd eerst in historisch perspectief. Wat is het verschil tussen toen en nu?

In historisch perspectief grijp ik wat het humanisme betreft, terug naar de Grieken, en dan eerst en vooral naar het Griekse theater. Wat men dikwijls vergeet is dat de tragedieschrijvers al honderd jaar voor de filosofen, voor Plato en voor Aristoteles, met hun individualiteit en theaterstukken standpunten hebben ingenomen tégen het geweld. Voor het humanisme in de westerse cultuur zijn vooral een aantal specifieke personages van belang. Je hebt het natuurrecht, verbeeld door Antigone; het asielrecht, verbeeld in De Kinderen van Heracles, van Euripides. Je hebt, in de Oresteia, ook de instelling van het staatsrecht, met het hoge gerechtshof, de Areopaag, als alternatief voor het eigen ‘vendetta’-recht. Persoonlijk vind ik dus, als ik over humanisme spreek, al ongelooflijk veel aanknopingspunten bij de Grieken. Tijdens de hele Middeleeuwen is de Katholieke Kerk uiteraard de grootste speler. Maar ondanks het feit dat het daar om een instituut en een gemeenschapscultuur gaat, zijn er toch altijd weer individuele figuren die een vorm van humanisme hebben vertegenwoordigd. Dat valt mij enorm op. Kijk bijvoorbeeld naar Fransiscus van Assisi, een figuur die ook voor atheïsten en niet-gelovigen erg fascinerend is, en altijd is geweest. Zijn pleidooi voor de Besitslosigkeit is daarbij erg belangrijk, omdat het vergaren van bezit natuurlijk heel moeilijk met humanisme te verbinden is. Want om veel bezittingen te verwerven moet je vaak niet al te humaan zijn. Met de Renaissance heb je opnieuw die expliciete belangstelling voor wat humanisme is. Zo zijn er de essais van Montaigne (1533-1592) waarin hij zeer duidelijk uiteenzet wat verdraagzaamheid is bijvoorbeeld, wat je ook bij Erasmus vindt (1469-1536). Er is zoveel dat Montaigne al grondig heeft geanalyseerd. Ook de zogenaamde civilisatie van Europa heeft hij geanalyseerd, in zijn essai De Kannibalen waarin hij zich de vraag stelt of de bewoners van Amerika niet veel geciviliseerder zijn dan de Europeanen. Het humanisme zoals we het nu kennen is er definitief met de Verlichting gekomen. Volgens mij zou de Verlichting er niet geweest zijn als er niet voordien die figuren waren geweest zoals Montaigne. En ook belangrijk is dat de Aufklärung er na de fanatieke religieuze oorlogen (einde van de 16de eeuw en de hele 17de eeuw) is gekomen. Ik denk dat de betekenis van de Verlichting voor het humanisme het beste wordt aangetoond in Le Temps des Lumières van Tzvetan Todorov. In dit boek vind je bijvoorbeeld een zeer scherpe en zeer gegronde aanval tegen De Sade. Dit is belangrijk, omdat er nu in onze cultuur net veel belang wordt gehecht aan Marquis De Sade. Todorov staat stil bij noties als individuele vrijheid en solidariteit zoals ze in de Verklaring van de Rechten van de Mens tot uiting zijn gekomen. Hij zegt zeer duidelijk dat niémand, maar dan ook niémand, geen enkel menselijk wezen, kan overleven als hij niet wordt geholpen door een ander (menselijk) wezen. Dat doet volgens hem de hele theorie van De Sade totaal teniet. Bij De Sade lees je dat de individuele vrijheid alles moet toelaten – maar die volledige individuele vrijheid, die bestaat niét. Niémand kan overleven zonder anderen. De individuele vrijheid wordt altijd geconditioneerd door de solidariteit.

Twijfel en initiatie. De stilte, de liefde, de dood

Tijdens de Verlichting is voor het eerst een finaliteit duidelijk gesteld, niet als beloning of bestraffing door God, zoals in religieus denken het geval is, maar als een doel dat mensen zelf in handen hebben. Dat impliceert dan weer een geloof in de vooruitgang, in het verbeterbare van de mens. De vrijmetselarij werd in de 18de eeuw ontwikkeld door de nieuwe burger, die daarmee aangaf dat de mens behoefte heeft aan een eigen opleiding, aan een persoonlijke initiatie. Hij erkende immers geen instantie meer die de waarden bepaalde waaraan hij moest geloven. De Kerk viel weg, en het absolutisme viel weg. In de onwikkeling van de vrijmetselarij zijn er natuurlijk allerlei aftakkingen, afwijkingen en perversies – die zie ik uiteraard ook, en dat heb je trouwens overal. Maar in de 18de eeuw was de vrijmetselarij zo belangrijk, omdat het een alternatief was om de persoonlijke ontwikeling van het twijfelende individu in juiste banen te leiden. De betekenis van de vrijmetselarij vind ik ook terug bij grote denkers als Goethe, bijvoorbeeld in zijn roman Wilhelm Meister. Maar het beste voorbeeld vind je natuurlijk in Die Zauberflöte van Mozart: Tamino komt bij de tempel van de Wijsheid aan en ontmoet een priester van de tempel van de Wijsheid die bepaalde zaken verklaart. Tamino stelt dan de vraag: ‘ist denn alles Heuchelei’? Is alles dan leugen? En dat is het begin van zijn initiatie. Het individuele initiatieproces wordt in Die Zauberflöte van Mozart prachtig uitgebeeld. En ook de beproevingen! Eerst en vooral de beproeving van de stilte, zeer belangrijk vandaag de dag. We ontvluchten de stilte. Om te ontdekken wie je bent en om humanistisch te worden, moet je met stilte kunnen omgaan. En ten tweede, is er het besef van de liefde. Vandaag ziet men vaak het onderscheid niet meer tussen iemand begeren en van iemand houden. Niet dat ik de begeerte niet als waarde beschouw. Mozart spéélt ermee in Cosi fan tutti. En ten derde is er de beproeving van de dood. Ook dit hoort bij het mens-zijn en de dood is dan ook een gegeven dat in het denken over humanisme aan de orde moet komen. Laten we ook niet vergeten dat de existentiële angst die ieder mens wel moét hebben voor de dood dikwijls tot machtsdrang, bezitsdrang leidt. Veel geweld en veel angsten ontstaan door de angst voor de dood.

Menselijke creativiteit

Rik Pinxten stelt in De artistieke samenleving dat de creativiteit van de mens op drie manieren tot uiting komt. In de eerste plaats uit zij zich in de creatie van sacrale rituelen en religies. De tweede vorm van creativiteit van de mens is de wetenschap. Wetenschap veronderstelt zeer veel intuïtie. Het is door intuïtie dat mensen als Newton, Einstein, Prigogine hun respectievelijke modellen hebben ontwikkeld. En ten derde, voor mij het belangrijkste, is er de kunst, als uiting van de creativiteit van de menselijke geest. Doordat de kunst in onze wereld zo vaak is gereduceerd tot iets voor de vrije tijd, als iets wat we eigenlijk niet nodig hebben, heeft kunst het vandaag zeer moeilijk. Wanneer je het politiek discours over de kunst en de subsidiëring van de kunst beluistert, krijg je werkelijk de indruk dat kunst een noodzakelijk kwaad is in de maatschappij: ‘het kost geld, en we geven wel dat geld maar we weten niet goed of het wel goed is dat we dat geld geven’. Men zou er weer van overtuigd moeten raken dat kunst existentieel is, voor ieder mens.

De mens heeft in zijn existentiële momenten kunst gebruikt, misschien niet om de wereld te verklaren, maar in ieder geval om zich uit te drukken, wat dat ook moge zijn.

Het is zeer duidelijk dat de mens op alle momenten die existentieel belangrijk zijn – de momenten van eros en van thanatos, van leven en dood – vormen van kunst zal ontwikkelen. De eerste vorm van kunst was een expressie met het eigen lichaam. De mens heeft zang ontwikkeld en hij heeft gedanst. Dat is in alle maatschappijen, in alle culturen aanwezig en het betekent dat de mens in zijn existentiële momenten kunst heeft gebruikt, misschien niet om de wereld te verklaren, maar in ieder geval om zich uit te drukken, wat dat ook moge zijn. En daarom ben ik er mijn hele leven mee bezig, om te pleiten voor de kunst, waarbij ik me dan toegespitst heb op de kunst van het theater in al zijn vormen. Ik ben er abslouut van overtuigd dat de kunst de samenleving tot een samen-leven kan maken. Heel lang, tot de eeuw van de Verlichting, werd de kunstenaar niet als een individu beschouwd. Bach werd niet beschouwd als het grote individuele genie. Hij was een ambtenaar, een ambtenaar die deze grote muziek heeft geschreven. En het is pas in de 19de eeuw dat de kunstenaar een positie inneemt tégen het bestaande maatschappelijke bestel. Voordien was dat niét zo. De kunstenaar heeft de gemeenschap gediend, en heeft weliswaar soms vormen gekozen die de burgers niet aanstonden – daar is Mozart al een fantastisch voorbeeld van. In de 19de eeuw heeft de kunstenaar zich verzet, uit ontgoocheling over het feit dat veel van de principes van de Verklaring van de Rechten van de Mens dode letter bleven. De kunstenaar heeft beslist kunst als wapen gebruiken tegen een in zijn ogen kleinburgerlijke maatschappij. Dat kun je volgen bij Balzac. Ik vind het een belangrijk gegeven, dat de kunstenaar die zich verzet tegen de maatschappij pas in de 19de eeuw ontstaat. De kunstenaar die zegt dat hij artistiek bezig is en dat hij niets te maken heeft met de samenleving aanvaard ik niet als kunstenaar. Ik denk dat mensen als Tom Lanoye en Hugo Claus, dat nooit gezegd hebben. Zij hebben zichzelf altijd als maatschappelijk geëngageerd beschouwd. En ik denk dat de kunstenaar die zegt dat hij maatschappelijk niét is geëngageerd, daarmeee ook al een politieke uitspraak doet. De kunstenaar is altijd met de samenleving bezig. Zonder stad geen denken over samenleven Een echte samenleving – het georganiseerde samenleven, het ontwikkelen van wetten – kun je eigenlijk pas ontwikkelen in een stedelijke context.

Het is in de stedelijke samenleving geweest dat we echt gedwongen werden om na te denken over wat het nu eigenlijk betekent samen te leven.

In een clanverband, zowel bij nomaden als bij de eerste vormen van settlement, is de hele hiërarchie opgebouwd rond het respect voor het stamhoofd. In de stad komen verschillende clans samen en het is pas dàn dat het probleem van het samenleven wordt gesteld. Het is in de stedelijke samenleving geweest dat we echt gedwongen werden om na te denken over wat het nu eigenlijk betekent samen te leven. En daar is dan de Verklaring van de Rechten van de Mens uit voortgekomen, die stelt dat 1/ iedereen gelijk is voor de wet, 2/ de samenleving solidair moet zijn en 3/ de burgers vrije mensen zijn. De Verklaring van de Rechten van de Mens is eigenlijk grotendeels een intentieverklaring gebleven. Zelfs na tweehonderd jaar is ze nog lang niet volledig in praktijk omgezet. Maar hoedanook, ze benoemt drie waarden (of deugden), die je vertaald ziet in de drie systemen die onze samenleving definiëren. De gelijkheid, de solidariteit en de vrijheid zijn daarenboven van elkaar afhankelijk. Iedere samenleving is opgebouwd op een politiek systeem, op een economisch systeem én op een cultureel systeem. Die drie systemen moeten in harmonie zijn. De gelijkheid geldt als de grote deugd van het politieke systeem, de solidariteit is de grote deugd van het economische systeem, en de vrijheid is de grote deugd van het creatieve systeem of het culturele systeem. Eens je dat inziet is het allemaal zo logisch. Dan is er ook geen plaats voor extremisme. Want extremisme druist volledig in tegen de basisregels van dit type samen-leving. Als je zegt: ‘eigen volk eerst’, dan creëer je al een conflictsituatie. Je zegt: ‘de anderen pas nadien’. Ten tweede, als je zegt: ‘eigen volk eerst’ dan betekent dat al vlug: ‘eigen wijk eerst, eigen stad eerst’. In het verleden is de stad steeds de plaats geweest voor vernieuwing en het platteland de plaats voor het conservatieve. De Grieken maakten dat onderscheid ook. Toen zij hun democratisch bestel hebben opgericht, hebben ze de vertegenwoordiging van de burgers samengesteld met één derde plattelandsbewoners, één derde stadsbewoners en één derde handelaars. En ook in onze samenleving werkt dat nog altijd door. Je kon het ook bij de voorbije gemeenteraadsverkiezingen vaststellen, hoe dat verschil nog altijd speelt. Complementair werken

Ik ben ervan overtuigd dat, wanneer het over culturele beleving gaat, je je niet tot de wijken mag beperken. Je moet altijd over de muur van je wijk kijken.

Het werk is complementair. Ik heb veel discussies gehad met sociologen die zeer dicht bij de wijkbevolking staan en die de grote culturele instellingen aanvallen. Ze vinden dat die instellingen veel te veel geld krijgen in vergelijking met de middelen die voor wijkwerking beschikbaar zijn. En ze hebben soms gelijk. Problematisch vind ik daarnaast ook dat de grote instellingen zich te weinig bezighouden met de doorstroming naar de wijk. Maar, je kunt ook overdrijven in de andere richting. Ik ben ervan overtuigd dat, als het over culturele beleving gaat, je je niet tot de wijken mag beperken. Je moet altijd over de muur van je wijk kijken. Daarom heb je zowel wijkwerking nodig als grote instituten die mensen buiten hun wijk brengen. Je kunt natuurlijk in wijk- en buurthuizen theater spelen. Maar soms heb je een instituut nodig waar je in schitterende omstandigheden de Oresteia van Aeschylos kunt zien. En je kunt die Oresteia dan in het NTG zien en je kunt in je wijk ook met de inhoud van de Oresteia bezig zijn. Je hebt beide nodig. We moeten zorgen voor onderwijs, en ervoor zorgen dat het kunstwerk dichter bij de bevolking komt. Daar hebben we dus het meeste werk. Er zijn fouten gebeurd aan beide zijden. Eerst en vooral is het totaal fout geweest dat de grote instituten de arbeiders niet wilden binnenlaten. Dat was bijvoorbeeld het geval in het Ruhrgebied. Er bestond op het einde van de 19de eeuw een wet die mijnwerkers verbood naar het theater te gaan, want dat was gevaarlijk en revolutionair. Daarom is er ook nooit een universiteit opgericht in het Ruhrgebied, tot in de jaren 50! Wetenschap en kunst, dat was niet voor de arbeiders. Je reinste feodaliteit! Mens-zijn, samenleven en kunst Ondanks de democratiseringsbeweging van de voorbije eeuw, ben ik vandaag niet zo optimistisch. Communicatie over kunst via de opvoeding thuis gebeurt nauwelijks meer. In het onderwijs krijgt kunst ook al geen aandacht. Met onderwijs in kunst bedoel ik niet een vak ‘kunst’ dat je er even moet bijnemen, maar als een even belangrijke vorming als wiskunde. En ten derde is er televisie en radio, waar kunst hoogstens een voetnoot is. En er is het gegeven dat de kwaliteit van het taalgebruik er enorm op achteruitgaat, door de gsmturbotaal en het gekwek op radio en tv. Men neemt niet meer de tijd, en men beschikt niet meer over de nodige woordenschat, om gedachten zorgvuldig te formuleren. Taal is nochthans een basiselement van de cultuur.

Kunst dreigt een dode taal te worden, of volledig op te gaan in de economische wereld.

Dat alles maakt het zeer moeilijk. Omdat het gezin, het onderwijs en de grote media totaal in gebreke blijven en de politiek daar niets aan doet, verkeert de kunst op dit moment in een zeer, zeer moeilijke situatie. Kunst dreigt een dode taal te worden of volledig op te gaan in de economische wereld. Kunst is tegenwoordig pas werkzaam als ze tot event wordt gemaakt. Men gaat bijvoorbeeld alleen naar de musea wanneer er een event is, wanneer de verzàmelde werken van Rembrandt te zien zijn, of de verzàmelde werken van Vermeer. Die event-cultuur speelt ook in de muziekwereld, met zijn vele festivals. Die event-cultuur is natuurlijk dodelijk voor de kunst. Kunst is niet werkzaam op dit moment in de gemeenschap omdat de politiek te weinig belang heeft gehecht aan het werkzaam maken van kunst. Zoals het nu loopt, heeft de kunst het moeilijk om zich te verdedigen, moét ze zich alsmaar verdedigen. Want er wordt ook vaak geopperd dat kunst iets elitairs zou zijn. Natùùrlijk is kunst elitair. Ook goede politiek is elitair. Goede kunst maken veronderstelt een goede vormgeving, maar kunst is niet elitair naar de gemeenschap toe. Om de participatie van de bevolking te bevorderen moet je het kunstproduct dus niet populariseren of in een andere verpakking stoppen, zoals Anciaux zegt, maar begrijpbaar maken via opvoeding en onderwijs. De muziek als tegengif tegen onverschilligheid en cynisme De muziek – het concert en meer nog de opera – is een kerncentrale van warmte. Het grote probleem van onze wereld is volgens mij de onverschilligheid en het cynisme dat daaruit voortkomt. Dit kan je tegengaan via de emoties, die warmte ontwikkelen. Muziek is mathematisch opgebouwd maar wekt ‘desondanks’ emotie en warmte op. Dus is muziek het beste tegengif tegen onverschilligheid en cynisme. Dat zie je ook bij jongeren die rockmuziek beluisteren: het eerste wat zij zoeken is toch het sentiment. Om de muziek echt te kunnen horen moet je luisteren. Ook de stile kun je beluisteren. Je kunt de stilte alleen maar horen als je luistert.

Interview en redactie: Ine Pisters Cadzand, 31 oktober 2006. Deze tekst verscheen eerder in Het Vrije Woord, december 2006.

Gerard Mortier (1943-2014) was directeur van de Muntschouwburg in Brussel, intendant van de Salzburger Festspiele en de Ruhr Triennale en is momenteel directeur van de Opéra de Paris.