In alle drukte die is ontstaan over het particuliere taalgebruik van Natalia, wijst Marc Reugebrink op enkele tekortkomingen in het discours: het is echt niet zo dat boven de Moerdijk alleen maar keurig Nederlands wordt gesproken en het is evenmin zo dat Vlaams taaleigen vanzelf niet zou deugen.

Wie? Schrijver. Op 25 maart verschijnt zijn roman ‘Het Belgisch huwelijk’ (De Bezige Bij Antwerpen).

Wat is dat toch met die Vlaamse taalpuristen? Nu struikelen ze weer met z’n allen over Natalia tijdens de MIA’s. In de eerste plaats: waar is de tijd gebleven dat dergelijke puristen zich te goed voelden voor dergelijke banale programma’s en er niet naar keken? Dat scheelde heel wat gemor. En in de tweede plaats: Natalia is inclusief borstmaat, beenlengte, achtergevel, mondholte en uitspraak nu eenmaal een merk. Dat huur je in of dat huur je niet in. Stel je voor dat Jan Becaus de MIA’s zou presenteren. Of Kathleen Cools. Zo’n programma verdraagt helemaal geen Algemeen Nederlands. En soortgelijke programma’s in Nederland ook niet. Of dacht u dat Algemeen Nederlands boven de Moerdijk wel door alle tv-presentatoren gesproken wordt?

Daar is het minder erg, zo lijkt het. ‘Hun hebben beter gespeeld’, zegt de gemiddelde voetballer, en hij weet heus wel dat ‘hun’ verkeerd is; het moet ‘hullie’ zijn. ‘Knuffelmarokkaan’ Ali B — recentelijk nog te gast in Café Corsari — moet zijn eerste zin in het AN nog uitspreken. Marco Borsato kan er ook niet veel van. Sowieso hebben alle Amsterdammers een spraakgebrek. En een gehoorprobleem. Een Vlaamse toerist die zijn stinkende best doet er in het AN een Hollandse Nieuwe te bestellen, krijgt antwoord in het Engels en kan naar zijn haring fluiten. Een Groninger overleeft het binnen de Amsterdamse grachtengordel ook niet zonder ondertiteling.

Iemand moet me toch eens uitleggen waarom de zin Wa hebbie da baj je in Nederland niet tot een principiële discussie over taalverloedering leidt, en een zinnetje als Mijne vriend, gade gij mee hier onmiddellijk leidt tot de oprichting van een Actiegroep Nederlands onder leiding van een emeritus hoogleraar (Stijn Verrept) en zelfs tot een petitie die door de grootste geesten van dit land prompt wordt ondertekend. De eerlijkheid gebiedt om te zeggen dat de actiegroep niet alléén uit Vlamingen bestaat; onder de twintig leden zijn er zowaar twee Nederlanders.

Het heeft natuurlijk met macht te maken. Je zou bijna wensen dat er naast AN ook zoiets als AV, Algemeen Vlaams, zou bestaan. Tot voor kort werd alles wat daaronder zou kunnen vallen in Van Dale nog aangeduid met de toevoeging ‘Belg. N.’: Belgisch-Nederlands. Ik geloof dat Van Dale daar vanaf de volgende druk mee op wil houden. Maar daarmee zet je niet onmiddellijk recht wat scheef is gegroeid: dat er vele ‘Belgisch-Nederlandse’ woorden en uitdrukkingen zijn die boven de Moerdijk niet tot het AN worden gerekend. Geen wonder dat Tom Lanoye altijd zegt dat het Nederlands in zijn puur Nederlandse gedaante zo mager en schraal is. Vlaamse vertalers hebben al eens van Nederlandse uitgevers te horen gekregen dat ze het woord ‘venster’ niet meer mochten gebruiken in hun vertalingen. Het moest ‘raam’ zijn. Maar een venster is net even iets anders dan een raam. Je kijkt er heel anders door.

Het AN behoort blijkbaar aan de Hollanders, en er zijn helaas nog veel te veel Vlamingen die zich daarbij neerleggen en zelfs aan zelfkastijding doen. In plaats van de breedte van onze taal te verdedigen, waarin een venster, een raam en zelfs een vensterraam of glasraam het uitzicht op onze wereld zoveel groter maken. Ik bepleit hier dus niet dat de Vlaming het AN moet loslaten; hij moet het veeleer veroveren op de Hollander die zijn alleenrecht laat gelden. Als we willen dat het Nederlands voor Nederland én Vlaanderen als standaardtaal behouden blijft, dan wordt het tijd dat men ook boven de Moerdijk eens de handen uit de mouwen steekt en leert luisteren naar hoe (wel degelijk ook) hun eigen taal hier klinkt. Voor de duidelijkheid: ik heb het dan niet over de talloze dialecten; ik heb het over ‘Belg. N.’, dat gewoon Nederlands is.

Of Natalia’s Nederlands uit de Kempen dan wél aan de veroordeling ontsnapt die het nu ten deel viel, is van ondergeschikt belang. Zonder die Kempische tongval zou ze een deel van de charme kwijt zijn die ze nodig heeft om haar andere gebreken te maskeren. Zoals het eten van Jeroen Meus zonder de saus van zijn sappige taaltje inderdaad gewoon dagelijkse, nogal saaie kost wordt. Zolang beiden Het journaal niet presenteren, is er wat mij betreft geen reden voor de loeiende verontwaardiging van sommigen over hun zo verderfelijke tussentaal.

U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig