De kweker beslist of je de hond mag kopen
Vergeet niet dat de asielen uitpuilen van de hondjes die wachten op een tweede kans. Foto: Yorick Jansens

Over ‘broodfok’ schreef De Standaard dit weekend, hondenkwekers die het doen voor het geld. Hondenkenner en tv-maker reageert. Koop nooit een hond in een kennel die adverteert met minstens twintig rassen, zegt hij, want je koopt je auto toch ook niet bij een dealer die in zeven automerken handelt.

Voor mij was het meest opvallende aan het trieste verhaal van het meisje dat in Riemst werd aangevallen door elf honden, dat er vier labradors bij waren. Labrador retrievers? Dat is het soort hond dat je dood líkt, niet doodbijt.

Labradors en golden retrievers horen honden te zijn die schuldig naar hun baas kijken als ze te luid hebben geblaft, het zijn de beste gezinshonden, ideale honden voor mensen met weinig of geen ervaring met viervoeters. Ze horen van nature meegaand te zijn en zachtaardig, honden waar je blindelings op kunt rekenen.

Toch hoor je vaker over retrievers die vals zijn en bijten. Ik zie ook meer en meer retrievers in het straatbeeld die er een beetje halfbakken bij trippelen met een knik in de staart of met wiebelheupen. En er zijn de vele verhalen van dierenartsen die zeggen dat ze ‘overkweekt’ zijn. Veel heeft te maken met modeverschijnselen. Retrievers zijn in, chihuahua’s ook. Yorkshire terriers zijn vreselijk out, net als sharpei’s of dalmatiërs.

Dat mensen op sociale media gaan klagen over de gezondheid van hun pups is erg normaal, maar veel alarmerender is de geestelijke gezondheid van die hondjes.

Tussen zijn derde en achtste week beleeft een pup een cruciale fase (de inprentingsfase) en als daar iets misgaat, zit je met een beest dat volledig verknipt is en dat waarschijnlijk ook blijft. In de inprentingsfase moet een jong hondje alles leren wat het later nodig zal hebben: wat een deur is en een auto, een bus en een fiets. En bovenal: wat grote mensen zijn en kinderen.

Het belang van deze fase kan niet worden overschat. Goede kwekers – en die zijn er zeker ook – zien erop toe dat hun pups met al die prikkels in contact komen en dat je een hondje mee krijgt dat deze essentiële lessen heeft geleerd. Wie natuurlijk pakweg meer dan twintig pups in huis heeft, kan simpelweg de tijd niet hebben om die inprentingsfase goed te laten verlopen.

Bezorgd om zijn portemonnee

De vraag is of de overheid dat allemaal moet of zelfs kan regelen en ik ben geneigd om een deel van de verantwoordelijkheid weer naar de baasjes door te schuiven. Ik zou nooit een hond kopen in een kennel die adverteert met minstens twintig rassen. Je koopt je auto toch ook niet bij een dealer die in zeven automerken handelt?

Toen ik mijn eerste hond ging kopen, werd ik door de kweker eerst flink op de rooster gelegd. Wat wist ik van een hond, hoe zou ik die huisvesten, hoe vaak zou ik van huis zijn, wie zou er voor de opvoeding instaan? Het was de kweker die besliste of ik een hond mee zou krijgen. Dat wantrouwen tegenover mij gaf mij het grootste vertrouwen en dat vertrouwen is nooit beschaamd.

Wie een hond koopt, wat een grote verantwoordelijkheid is, doet er goed aan dubbel en dik uit te kijken waar hij zijn pup gaat halen. Ga naar een kweker die zich aan één ras houdt en maar een paar nestjes per jaar heeft. Als je moet wachten op je pup, des te beter, het duidt aan dat de kweker meer bezorgd is om waar zijn dieren terechtkomen dan om zijn portemonnee.

En vergeet ook niet dat de asielen uitpuilen van de hondjes die wachten op een tweede kans bij een warm gezin.