De Lijn,  omdat het moet
Marc Reynebeau
Nieuws was het niet echt, maar vorig weekend dook nog maar eens het bericht op dat minister van Mobiliteit Hilde Crevits (CD&V) enige miljoenen euro’s klaarhoudt als subsidie voor ‘shuttles’ naar lastig bereikbare werkplekken, zoals de havens. Fijn.

Toch illustreert het een treurige vorm van denken over openbaar vervoer. Want het steunt op een negatieve motivatie: de bus als noodzaak, omdat het niet anders kan, en niet als een positieve keuze. Want waarom geen bus naar alle werkplekken zonder meer? Die doodse suburbia-imitaties van bedrijfsterreinen met parking, waar een voetpad vaak al te veel gevraagd is (en zo niet, dan staat er wel een auto op gestald), zouden er nochtans baat bij hebben.

De minister is niet aan haar proefstuk toe. Op haar kerstkaart beklemtoonde ze hoezeer ons bestaan bij haar in veilige handen is door zeven vormen van mobiliteit op te sommen. Openbaar vervoer was daar niet bij. Maar als zij ervan uitgaat dat haar kiezers toch nooit de tram of de bus nemen, wat zou ze daar als minister ook moeite voor doen? Dat gebrek – de foute gedachte dat mensen zich alleen individueel verplaatsen – is structureel in de Vlaamse regering. Zo riep ze in 2010 op om de wegen vrij te houden voor vrachtwagens, met tal van alternatieven voor de stadsmens, tot skaten toe. Maar collectief transport, nee, nooit van gehoord.

Het is nuttig om daaraan te herinneren omdat ze bij De Lijn hun pappenheimers van de Vlaamse politiek al langer kennen. De maatschappij voelt zich dus genoopt tot pragmatisme. Daarom wekte ze laatst de indruk dat ze de steden beter wil bedienen door het platteland dat te laten bezuren. Als extra investeringen in het openbaar vervoer er de eerste tijd toch niet in zitten, is het nodig om prioriteiten te stellen.

Maar de plattelander langer op de bus doen wachten, is er niet minder contraproductief om. Niet alleen is het altijd jammer om iemand in de kou te laten staan, het levert ook alleen schijnoplossingen op. Want zo blijft de grond van de zaak onbenoemd. En het is met mobiliteit zoals met fiscaliteit: een ditje hier en een datje daar zullen niet volstaan. De hele filosofie achter het systeem moet op de schop.

Dat denken over mobiliteit mist elke ambitie. Mensen, zo klinkt het nog altijd in het politieke vertoog, kiezen alleen om negatieve redenen voor bus, tram of trein: omdat ze te arm, te jong, te oud, te ziek, te dronken, te lui of anderszins niet in staat zijn om voor de auto te kiezen. Of omdat hun werkplek moeilijk bereikbaar is. De SP.A houdt deze negatieve perceptie mee in stand door te blijven hameren op de symboliek van het gratis vervoer voor 65-plussers. Alsof de bus er inderdaad alleen zou zijn voor sukkelaars en armoezaaiers, een categorie waartoe per definitie alle bejaarden zouden behoren. Ook dat bevestigt het beeld waarin de norm voor mobiliteit ligt bij de privé-auto, met openbaar vervoer als niet meer dan een plan-B voor de losers die falen in de sociale benchmarking.

De politiek handelt daar ook naar. De bedrijfsauto alleen al krijgt vier keer meer belastinggeld dan het openbaar vervoer. Wat ook illustreert hoe die schijnoplossing uit de fiscaliteit ook nefaste gevolgen heeft voor de mobiliteit, en, met al die dieselwalmen, ook nog eens het leefmilieu en de volksgezondheid aantast. Zo gaat dat met infecties: de ene lokt de andere uit. Tot op uitnodigingskaartjes: op de rugzijde daarvan staat meestal wel vermeld welke snelweg er passeert, maar vrijwel nooit of in de buurt ook een tramhalte of station ligt.

De infectie sluipt nog verder. Als de privé-auto de norm is, kan openbaar vervoer, als plan-B, alleen de inzet van maatschappelijk idealisme of sociale solidariteit zijn, om de sukkels te helpen. Dat is geen populaire motivatie in een harde crisistijd, die overheidsuitgaven al snel verkettert als caritas of overbodige luxe.

En sukkelvervoer is niet cool. Zodat hier een bekend adagium kan worden omgedraaid: als de bus er dan toch alleen is voor monkeys, dan kunnen peanuts als dienstverlening al volstaan. Zo komt het dat, helaas ook bij De Lijn, stiptheid, informatie, capaciteit, frequentie of comfort erop achteruitgaan en dat buitenlui nog langer op de bus moeten wachten – een vicieuze cirkel die nog meer mensen naar de auto drijft. Alsof daar toch hun ware bestemming ligt.

Hen zou daar, zegt de reclame, alleen vrijheid en welbehagen wachten. Terwijl de realiteit er slechts een is van een darwinistische strijd om ruimte, onder meer in de file. Een verloren gevecht, dat, zo zien experts nu, alleen tot verzuring leidt. Geen wonder: in deze eeuw is niet de tram, maar de dure, inefficiënte, vervuilende en onveilige auto plan-B. Alleen beseffen Hilde Crevits en wij dat nog niet.