Suburbia aan de Schelde
Peter Swinnen Foto: Jimmy Kets

Als Liesbeth Homans zegt dat er andere prioriteiten zijn dan stadsvernieuwing, dan moet Peter Swinnen even slikken. Zeker als dat in de praktijk betekent dat de vrijgekomen middelen naar repressie gaan.

Wie? Vlaams Bouwmeester.

Wat? In Antwerpen wordt de bouw van nieuwe scholen afgeremd, terwijl zwaar geïnvesteerd wordt in een hyperuitgerust politiekantoor en autoverkeer gefaciliteerd wordt. Zo lok je geen gezinnen naar de stad.

Niets is zo kenmerkend voor een overheid als haar gebouwd patrimonium, haar architectuur, haar open ruimte, haar infrastructuur. Het zijn de blijvende getuigen van de politieke beslissingen van vandaag, de lakmoesproef van een visionair beleid. Elke maatschappelijke vernieuwing heeft uiteindelijk haar effect op de gebouwde ruimte. En die ruimte is wat ons letterlijk als samenleving verbindt. Of in het geval van beunhazenbeleid: ons onherroepelijk uit elkaar drijft. Zoals elders in de wereld vindt ook in Vlaanderen de grote ruimtelijke vernieuwing willens nillens in de steden plaats. Stadsontwikkeling is dan ook dé maatschappelijke uitdaging van deze eeuw.

Geen luxe

Vlaanderen heeft als dusdanig geen échte grootsteden, maar wordt gestructureerd door een netwerk van dertien centrumsteden, van Oostende over Mechelen tot Genk. De twee uitschieters in het netwerk zijn Gent en Antwerpen. Elk van deze centrumsteden heeft de verantwoordelijkheid om niet-aflatend de ruimtelijke maatstaf te hanteren. Zoiets heet simpelweg investeren in ‘stadsvernieuwing’, wat onder geen enkel beding kan beschouwd worden als een extra of een nice to have. Stadsvernieuwing is een essentieel bestuurlijk middel om via ruimtelijke ontwikkeling de gemeenschap op sociaal, economisch, ecologisch en infrastructureel vlak te laten floreren. Zeker in crisistijden hebben sommige politieke mandatarissen nogal snel de neiging om net die stadsvernieuwing onder het mom van besparingen voor onbepaalde tijd naar de koelkast te verwijzen.

Zo ook Liesbeth Homans (N-VA), die als Antwerpse schepen van Sociale Zaken, Wonen en Samenlevingsopbouw in een interview liet noteren: ‘Het vorige bestuur heeft stevig geïnvesteerd in stadsvernieuwing. Ik wil hen dat bloemetje best gunnen. Maar nu zijn er andere prioriteiten.’ (DS 4 januari) Een allesbehalve onschuldige uitspraak die suggereert dat ruimtelijke ontwikkeling en sociaal-economische vooruitgang onafhankelijk van elkaar ontwikkeld kunnen worden.

Maar er lijkt meer aan de hand in Antwerpen. Pakweg de afgelopen twee decennia heeft de stad zich ongemeen goed ontwikkeld op het vlak van stedelijke kwaliteit. Daar zijn vriend en vijand het over eens. Sinds het nieuwe stadsbestuur begin 2013 aantrad zijn de belangrijkste stadsontwikkelingsstructuren die onder het bestuur van Patrick Janssens (SP.A) geïnitieerd werden, ei zo na de kop ingedrukt. Zo werd er onverwachts beslist om AG Stadsplanning (AG Stan), het autonome bedrijf dat onder meer een objectieve buffer vormde tussen politieke kabinetten en ontwikkelaars, op te doeken en te laten inkantelen in de reguliere administratie. AG Stan bracht onder Janssens alle knowhow qua stadsplanning samen in één cel. De intensieve investeringen van het afgelopen decennium, nodig om de inhoudelijke efficiëntie van dit team te garanderen, worden door de recente inkantelingsbeslissing koudweg geannuleerd.

Een andere opmerkelijke recente beslissing van het stadsbestuur betreft het decimeren van het Team Stadsbouwmeester (van acht naar twee medewerkers). Het wordt dus nagenoeg opgedoekt. De stadsbouwmeester, een mandaat dat momenteel opgenomen wordt door Kristiaan Borret, functioneert als een onafhankelijk ruimtelijk klankbord tussen markt en publieke sector. Borret ontving afgelopen jaar trouwens de prestigieuze Cultuurprijs van de Vlaamse Overheid voor zijn inspanningen als Stadsbouwmeester. En in 2013 ontving Antwerpen de European City of the Year Award van The British Academy of Urbanism. Dat zijn niet zomaar lintjes, maar fundamentele erkenningen waar vele andere steden alleen maar van kunnen dromen.

Tweeverdieners naar de stad lokken?

Antwerpen heeft de afgelopen maanden haast structureel een halt toegeroepen aan nieuwe belangrijke stadsprojecten. Zo werd er ondermeer een rem geplaatst op de bouw van nieuwe scholen, maar wordt er wel zwaar geïnvesteerd in een nieuw hyperuitgerust politiekantoor van maar liefst 30.000 vierkante meter. Qua stadsplanning voert het bestuur weliswaar de nog lopende masterplannen verder uit – zoals de ontwikkeling van de Kaaien – zij het met een zeer eigenzinnige interpretatie, waarbij autoverkeer en parkeermogelijkheden faciliteren een van dé speerpunten van het ruimtelijk beleid is geworden. ‘Om tweeverdieners naar de stad te lokken’, klinkt het, terwijl net die doelgroep vragende partij is voor een gezonde mix van getemperd en veilig autoverkeer en goed publiek transport.

Antwerpen lijkt zich daarmee te willen profileren als een groot permissief suburbia, in plaats van een reële stad. Het eerder repressieve stadsbeleid, veiligheidscamera’s incluis, zou grotendeels onnodig kunnen zijn als er werkelijk geïnvesteerd wordt in het creëren van aantrekkelijke stadswijken en een sociale mix. Immers, problemen als sluikstorten, vandalisme, geweld en onveiligheid hebben minder kans van bestaan in buurten die inzetten op een aangename en genereuze stadskwaliteit. Investeren in intelligente stadsvernieuwing impliceert investeren in sociale cohesie én in economie. Dat als niet-prioritair bestempelen, is een boude uitspraak.

Het Antwerps geloof in de stad lijkt in geen tijd naar een dieptepunt te neigen, eerder dan voort te willen bouwen op het elan van de laatste twintig jaar. Nochtans onderstreept het Antwerpse bestuursakkoord volwaardig het belang om de nodige stedelijke omgevingskwaliteit blijvend te garanderen. Maar in de feiten – en vooral in de meerjarenbegroting – wordt dit gemeenschappelijk welzijn naar de achtergrond verwezen in het voordeel van repressieve instrumenten. Een onschatbare voorsprong dreigt aldus een onoverbrugbare achterstand te worden.