Brussel houdt  en walgt ook van jou
‘Hoeveel ik ook verwacht van lokale politici, ik verwacht nog meer van onszelf.’ Foto: Bart Dewaele

Eerst verliefd worden op een stad, en zoals Riadh Bahri vervolgens ontwaken uit de roes, het is een patroon dat Joost Vandecasteele wel herkent. Maar in plaats van ‘doe iets’ naar de politiek te schreeuwen, is het beter naar onszelf te kijken.

Een nieuw jaar, een bekend geluid. Een voorval van zinloos geweld in Brussel en dezelfde carrousel van schuld toewijzen kan beginnen. Deze keer gebeurt het naar aanleiding van een schietpartij in Molenbeek waar naast een schoolpoort... – nee sorry dat was vorige keer – waar iemand in de rug geraakt werd. Die keer met de schoolpoort riepen we ‘dit nooit meer’ en ‘moeten er doden vallen’ en ‘schuld van de PS’. En onze gebeden zijn verhoord: de PS-burgemeester is weggevoerd, in een politieke coup zoals je die alleen in Kortrijk ziet, en vervangen door een liberaal, lid van de club burgemeesters met een voorliefde voor bewakingscamera’s. Want die gaan alles oplossen, ook dit schietincident, tenminste als de camera niet de andere kant aan het filmen was.

Wat er gebeurd is die nacht met die jonge fietser is vreselijk, laat daar geen twijfel over bestaan. Maar wat er nu gebeurt, is bij momenten vermoeiend. En ik heb het niet alleen over hoe in Reyers laat Jan De Cock de industrialisatie de schuld geeft van de migratieproblemen. Maar ook over de bijdrage van Riadh Bahri in deze krant (DS 7 januari) .

Het parcours van de inwijkeling

Hij volgt het bekende patroon van elke inwijkeling. Het begint met als een toerist het kosmopolitische karakter bejubelen, van Congolese restaurants tot dansen met Portugezen. Als die roes is uitgewerkt en de toerist inwoner wordt, volgt de opsomming van alles wat niet strookt met het ideaalbeeld van wat een stad kan zijn. Elke inwijkeling heeft dit parcours doorlopen, sommigen eindigen in berusting, sommigen vertrekken weer (soms naar andere grootsteden als New York of Londen om daar weer net hetzelfde mee te maken), sommigen worden er strijdlustiger door en sommigen proberen er het beste van te maken. Dat zijn individuele keuzes die niemand in hun plaats maken kan. Zeker de politiek niet.

Want hier geraken we tot de kern van Bahri’s betoog, dat met zinnen als ‘Politici, ruim uw straten op’ en ‘Doe iets met die jonge gasten’ suggereert dat alles van bovenaf op te lossen valt. Maar zoals het niet klopt derdegeneratieallochtonen als vreemdelingen te beschouwen, klopt het ook niet om de verantwoordelijkheid bij de politiek te leggen. Samenleven behelst meer dan politiek. En natuurlijk kan justitie alle hulp en middelen gebruiken om het ergste te bestraffen. Maar al de rest is onze gezamenlijke en individuele verantwoordelijkheid.

Dus beste Riadh, als jij op het einde van je stuk roept ‘geef me mijn stad terug’, moet ik jou helaas melden dat het nooit jouw stad is geweest. Het is de stad van iedereen die er woont en daar zitten individuen bij die jou even hard haten als jij bang van hen bent.

De eigen persoon als norm

Hoewel ik altijd lastig word van dit soort opbieden van jaartallen alsof het echt iets betekent, is dit mijn vijftiende jaar in onze hoofdstad en in dat anderhalf decennium heb ik ook voldoende anekdotes verzameld van vreselijk gedrag door eikels en trutten. Voorvallen die ik niet associeer met een gemeenschap of een cultuur, omdat blanken er ook vaak een hoofdrol in spelen. (Dit gezegd zijnde wacht ik nog steeds op een veroordeling van de gemeenschap der vriendjes van artsen met BMW’s voor het asociale rijgedrag van hun lid.)

Hoeveel ik ook verwacht van lokale politici inzake veiligheid, mobiliteit, werkgelegenheid en netheid, ik verwacht nog meer van onszelf. Het grootste verschil met andere grootsteden is de beperkte oppervlakte van Brussel waardoor problemen niet verborgen kunnen blijven en altijd recht in ons gezicht ontploffen. Hoe graag we onszelf ook zien als de hardwerkende bescheiden (wat altijd klinkt als een contradictie) modelburger, het zijn niet alleen wij die tot in de late uurtjes in de keukens en achter de toonbanken staan om ervoor te zorgen dat er Congolees gevreten en Portugees gedanst kan worden. Het zijn niet alleen wij die ’s ochtends vroeg de kinderen naar school brengen en erop toezien dat ze niet in glas of stront trappen. Het zijn niet alleen wij die ons laten doen door de eikels en trutten. Maar zolang we overtuigd blijven dat de stad alleen aan ons toebehoort en alleen voordelen bieden mag, begint binnenkort opnieuw dezelfde carrousel. Brussel verlangt dus geen liefde of walging van jou, maar een bereidwilligheid om je eigen persoon niet als norm te zien voor al de rest. Na vijftien jaar Brussel weet ik dit: niemand is normaal en eikels en trutten zijn niet aan het winnen. Ze weten het alleen nog niet, want ze krijgen dat te weinig te horen.