De niet zo eenzame fietser
De fietser, de gebruiker van het openbaar vervoer én de automobilist met elkaar verzoenen in de stad, dat gaat niet. Foto: Michiel Wijnbergh/hh

We kijken wel even raar op als in Nederland kritiek komt op het fietsbeleid. Is het daar niet het walhalla voor tweewielers? Niet helemaal, schrijft Kris Peeters. Zolang een keuze voor de fiets niet ook de auto terugdringt, blijven we stilstaan.

Wie? Mobiliteitsexpert. In 2014 verschijnt zijn nieuwe boek ‘Weg van mobiliteit’ bij Uitgeverij Vrijdag.

Wat? In steden, waar de ruimte beperkt is, moet je durven duidelijke keuzes te maken.

Het zijn rare jongens, die Nederlanders. Vorige week vroegen ze zich in de Volkskrant luidop af of er wel zoiets bestaat als een fietsbeleid.

Wat doen wij Vlamingen als we zoiets lezen? Antwoord: wat we ook doen als we twee beren broodjes zien smeren. We staan erbij en kijken ernaar, verwonderd: ‘Geen fietsbeleid, in Nederland?’

Want wij kennen allemaal het verschil tussen de twee landen als het op fietsen aankomt. In het Noorden zijn fietspaden comfortabele, voor fietsers voorbehouden aaneengesloten stukken weg die ergens vertrekken en ergens aankomen, met veel aandacht voor veilige kruisingen onderweg. Bij ons zijn het nu eens zelfmoordstrookjes langs gewestwegen, dan weer op het ritme van garagepoorten en inritten op- en neergolvende cakewalks in verweerde betonstraatstenen of van nergens tot nergens leidende lappendekens van asfalt langs een snoer van zwarte punten.

Ja, ik maak er een karikatuur van. Maar zo gek overdreven is het ook niet. Iedereen voelt wel aan wat het verschil is tussen wat de fietser in Nederland gewend is en wat hij in Vlaanderen mag verwachten.

Luxeprobleem

De Nederlandse twijfel over het bestaan van een fietsbeleid is dan ook niet ingegeven door het falen ervan. Wel door het succes. Of toch grotendeels. De aanleiding voor de discussie in de Volkskrant was de vaststelling dat de aanzwellende massa fietsers stilaan problemen begint te veroorzaken: ‘Parkeerchaos aan de stations, parkeerproblemen in de wijken met hoogbouw, drukte op de fietspaden, knellende kruispunten en een toename van het aantal ongevallen’. En als diagnose wordt gesteld: er zijn te weinig fietsvoorzieningen voor te veel fietsers.

Afhankelijk van iemands mobiliteitsobediëntie zal hierop gereageerd worden met jaloezie dan wel leedvermaak. ‘Hadden wij ook maar zo’n luxeprobleem!’ Of: ‘Zie je wel, met fietsers heb je uiteindelijk dezelfde problemen als met auto’s.’

Zoals geweten behoor ik zelf tot de eerste soort. Al was het maar omdat de Nederlandse problemen vele malen groter waren geweest als al die fietsers hun verplaatsingen met de auto hadden afgelegd. (Al had, dat wil ik ruiterlijk toegeven, een deel van hen domweg moeten thuisblijven bij gebrek aan auto of een rijbewijs: jongeren, ouderen, armen, groene weduwen. Fietsbeleid is in essentie een ontvoogdingsstrijd. Wij Vlamingen zouden dat moeten begrijpen. Maar dit terzijde.)

Een fietser heeft, stilstaand maar vooral rijdend, slechts een fractie van de ruimte van een automobilist nodig. En de besparing op vlak van infrastructuur is enorm. De stad Amsterdam rekende het uit. Dankzij al die fietsers wordt er jaarlijks zo’n 20 miljoen euro bespaard op weginfrastructuur. En dan hebben ze de milieu- en klimaatopbrengsten niet eens meegerekend. (In dit licht mag het merkwaardig heten dat in deze tijden van budgettaire orthodoxie onze Nationale Bank niet oproept om het auto-infrastructuurbeleid te vervangen door een mobiliteitsbeleid. Maar ook dit terzijde.)

En toch. Tegelijk heb ik ook wel zo’n slecht karakter dat enig leedvermaak mij niet helemaal vreemd is, zij het om een andere reden dan bij autofielen. Nederland ontdekt nu immers dat een ‘en-en-beleid’ niet vol te houden is. Kiezen voor én de auto én het openbaar vervoer én de fietser én de voetganger is eigenlijk… niet kiezen. Verzoening mag dan passen in deze tijd van het jaar, in steden, waar de ruimte per definitie beperkt is, zijn de belangen van al die partijen onmogelijk met elkaar te verzoenen. Ook de Volkskrant beseft: ‘De harde keuzen moeten nog worden gemaakt.’

De kop in het zand

De Nederlandse beleidsmakers steken voorlopig liever de kop in het zand. De stad Amsterdam zegt tot 2020 120 miljoen euro te willen investeren in meer fietsvoorzieningen. Daarmee wordt de eerder geciteerde fietserswinst vrijwel helemaal opgesoupeerd. Dat is prima als het over extra fietsenstallingen gaat. Maar niet als het stedelijke fietspaden betreft. In dat geval hebben we het over een investering die alleen maar nodig is door een gebrek aan politieke moed. Anders dan doorgaans gedacht, zijn fietspaden immers niet uitgevonden voor fietsers. Wel voor automobilisten. In een autovrije of autoluwe stad zijn namelijk nauwelijks of geen aparte fietspaden nodig.

Ik kan ze dus volgen, die rare jongens die zich afvragen of er wel zoiets bestaat als een fietsbeleid in Nederland. Het bestaat wel, maar consequent is het niet.

Kijken we nog eens naar Amsterdam. Dat dringt al jaren met succes de auto terug, maar haalt hem nu weer binnen via de achterdeur. De elektrische auto is een paard van Troje waarvoor de laadpalen als paddenstoelen uit de grond schieten, waarvoor er geen wachtlijsten zijn om een bewonersparkeerkaart te bekomen en waarvoor de stad in sommige gevallen 5.000 euro aankoopsubsidie veil heeft. Dat is het equivalent van wat tien fietsers de stad in een jaar besparen.

Die Nederlanders mogen dan misschien zuinig zijn en de fiets in hun genen hebben zitten, als het er écht op aankomt hebben ze voorlopig nog dezelfde koning als wij, Vlamingen: koning Auto.

U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig