The National speelt Vorst Nationaal plat
Archiefbeeld van het concert van The National in juli Foto: Koen Bauters

Met een genereus, ronduit hartelijk concert veroverde The National het grote Vorst Nationaal. De Amerikaanse rockband schipperde meesterlijk tussen ontroering en vervoering.

‘Vanderlyle, Crybaby, cry / Oh the waters are rising / Still no surprising you / Vanderlyle, Crybaby, cry’. Een uit zijn voegen barstend Vorst Nationaal zong het met een geestdrift die rillingen over het lijf stuurde. Alsof wij zij aan zij Kumbaya stonden te zingen, de armen in de lucht, aan een kampvuur vol vonkende weemoed. Matt Berninger en kornuiten brachten hun ‘Vanderlyle crybaby geeks’ semi-akoestisch, zich voedend met de dankbaarheid van het publiek. Een oogwenk later stroomden de fans met een gelukzalige glimlach de kuip uit.

Naar dat opmerkelijk euforische slotakkoord klauwde het concert van The National zich twee uur lang omhoog, heel behoedzaam, met verleidelijk meelokken en plagerig afstoten.

Zelden zie je bij dit soort bands een massa zo in vervoering, zeker niet in megazalen als Vorst Nationaal. Amper acht jaar geleden was The National nog een van die vele beloftevolle Amerikaanse rockgroepen die te nukkig en te zwaarmoedig werden geacht voor het grote succes. Wij hielden toen van zijn platen Alligator en Boxer, we schoven de groep in onze platenkast tussen Lambchop en Interpol, maar hadden toen nooit kunnen vermoeden dat The National amper drie jaar later zou ontploffen met zijn doorbraakalbum High violet.

En kijk eens, vandaag horen de New Yorkers bij de top van de alternatieve rock: Berningers zeurderige bariton duikt nu zelfs op in de Ultratop.

In Vorst kneep The National ons de keel dicht, niet alleen met het openingssalvo ‘I don’t swallow the cap’ en ‘I should live in salt’, maar ook met zijn weelderige visuals. Tijdens ‘Anyone’s ghost’ waaiden herfstbladeren dromerig langs een teer vrouwengelaat. Bij de publieksfavoriet ‘Bloodbuzz Ohio’ bloeide een rorshachtest uit het videoscherm waarin wij de bloedsampleplaatjes van televisiepsychopaat Dexter meenden te herkennen. Of was dat wishful thinking? Ook prachtig: de close-ups van speekselparels tijdens het gevaarlijk grommende ‘Demons’.

Goed, de klank in Vorst kon er best mee door, maar nu en dan moest The National toch vechten tegen de middelmatige akoestiek. De jongens beten zich door een driest ‘Conversation 16’ (Echo & The Bunnymen voor de 21ste eeuw), in ‘Squalor Victoria’ keelde Berninger als een zwijn onder stroom, de ziedende goth punk van ‘Abel’ knipoogde naar The Birthday Party met gitaren die jankten als dolle bloedhonden.

Een broos ‘I need my girl’ etaleerde een kwikzilveren gitaarspel en Berningers gebroken zang. Tijdens ‘I’m afraid of everyone’ zong iedereen rondom ons ‘I don’t have the drugs to sort it out’ mee, met de glimlach. Kijk, net voor dat soort wrang-komische momenten houden wij van The National.

Nog meer volksverheffende indie? Uiteraard. ‘Fake empire’, met zijn zielsverbrijzeldende noise-exit. Of ‘Mr.November’, waarin de uitgeputte Berninger door zijn stem zakte en het publiek in sprong. Tijdens het log dreinende ‘Terrible love’ ploegde hij tot helemaal achterin de zaal, tot extase van de fans. Wat een toewijding, wat een show.