Verkeerde cijfers
Foto: rr
Toen deze krant schreef dat er nergens zo weinig allochtonen aan het werk zijn als in ons land, baseerde ze zich op de verkeerde cijfers, schrijft Tom Naegels. Al blijft de boodschap wel overeind: vreemdelingen doen het in België absoluut niet goed op de arbeidsmarkt.

De Standaard opende zijn papieren editie van dinsdag 29 oktober met het nieuws: ‘Nergens werken zo weinig allochtonen.’ Het voorpaginastuk, naar aanleiding van dereeks over racisme in Vlaanderen, vertelde dat België het laagste percentage haalde van alle EU-landen inzake tewerkstelling van inwoners die buiten de EU geboren waren. ‘Dat blijkt uit cijfers die het Europees bureau voor de statistiek Eurostat voor De Standaard heeft geanalyseerd,’ stond er.

Maar het artikel is gebaseerd op de verkeerde cijfers.

Een lezer stelde zich de vraag of de percentages die in het artikel werden genoemd en in de grafiek ernaast visueel werden voorgesteld, wel konden kloppen. Niet alleen bengelde België helemaal onder aan de Europese groep, met een werkzaamheidsgraad bij allochtonen van 61,5 procent, maar bovenaan prijkten landen als Portugal, Spanje en Griekenland, waar respectievelijk 85,7 procent, 84,2 en 79,2 procent van de inwoners van vreemde afkomst aan het werk zouden zijn. Dat leek de lezer bijzonder veel, gegeven de enorme algemene werkloosheidsgraad in die drie landen, die zwaar getroffen zijn door de crisis. Het algemene werkloosheidscijfer van Spanje en Griekenland schommelt rond de 25 procent, dat van Portugal rond 15 procent, zo zocht de lezer zelf op de site van Eurostat op. Wilde de krant nu zeggen, vroeg hij, dat allochtonen daar even goed of zelfs beter scoren dan het nationale gemiddelde?

Ik heb de statistieken opgevraagd waar de redactie zich op heeft gebaseerd om dit stuk te schrijven, en daaruit blijkt dat er inderdaad een vergissing is gebeurd. De genoemde cijfers, en de gepubliceerde grafiek, geven niet de werkzaamheidsgraad (employment rate) van allochtonen in de verschillende EU-landen weer, maar de activiteitsgraad (activity rate). Dat maakt wel verschil, want de activiteitsgraad meet niet het percentage inwoners dat aan het werk is, maar ‘de mate waarin de bevolking op actieve leeftijd zich aanbiedt op de arbeidsmarkt, met andere woorden een job heeft of zoekt’. Het gaat dus om de optelsom van wie werkt en wie actief op zoek zijn naar werk, wat in Vlaanderen wordt gemeten als ‘minstens één sollicitatie in de afgelopen vier weken, en beschikbaar om binnen de twee weken te beginnen werken’. Als de Belgische allochtonen de laagste activiteitsgraad in de hele EU kennen, zegt dat iets over het hoge percentage dat zich niet eens aanbiedt op de arbeidsmarkt. Dat cijfer is dan ook geen vanzelfsprekende kandidaat om conclusies uit te trekken over de invloed van discriminatie, al kom ik daar dadelijk op terug.

België doet het nog steeds slecht

Nu heeft die vergissing op zich weinig invloed op de geldigheid van de algemene boodschap van het stuk, zoals die werd samengevat in de titel ‘Nergens werken zo weinig allochtonen’. Bekijk ik de echte Eurostat-statistiek over de werkzaamheidsgraad van inwoners die geboren zijn buiten de EU, dan zie ik dat België daar nog altijd bijzonder laag scoort. Ons land is de op één na laatste van de EU-landen, met 47,8 procent. (En kijk ik naar die van inwoners met een nationaliteit van buiten de EU, wat nog iets anders is dan geboorteland, dan ligt die nog lager: 38,9 procent. De algemene werkzaamheidsgraad in België ligt op 67,2 procent.) Het volstrekt absolute van de krantentitel (‘Nergens werken…’) klopt dan niet meer: in beide statistieken scoort nieuwkomer Kroatië nog slechter.

Ook de werkloosheidscijfers geven een vergelijkbaar beeld: België is met 22 procent werklozen onder de inwoners die buiten de EU werden geboren niet de slechtste leerling van de EU, maar wel bijna: enkel in Spanje (35,7 procent) en Griekenland (35 procent) ligt de werkloosheidsgraad van die categorie allochtonen hoger. Met dien verstande dat het algemene werkloosheidscijfer in die landen (25 procent) ook tot de hoogste van Europa behoort, terwijl dat van België met 7 procent een pak lager is dan het Europese gemiddelde.

‘Het plaatje wordt dus alleen maar duidelijker als je de drie samen neemt’, zegt Koen Van Laer, docent aan de Universiteit Hasselt en expert in diversiteit op de arbeidsmarkt. (Hij kwam ook in het oorspronkelijke stuk aan het woord.) ‘België kent in Europees perspectief een bijzonder hoge werkloosheidsgraad, en een bijzonder lage werkzaamheids- en activiteitsgraad voor mensen van niet-Europese afkomst. In alle drie de categorieën scoort ons land het slechtste, of bijna het slechtste. We stellen dat bovendien al jaren vast. En dat heeft onder meer – niet alleen, maar ook – te maken met discriminatie. Zelfs bij de lage activiteitsgraad mag je die verklaring niet uitsluiten: steeds maar weer geconfronteerd worden met discriminatie kan een rol spelen in de beslissing om niet meer te solliciteren en de arbeidsmarkt te verlaten.’

Het grootste verschil tussen de statistieken zien we dus in de positie van de andere Europese landen. De lezer had daar overschot van gelijk: Spanje en Griekenland kennen niet het hoogste percentage ‘werkende allochtonen’ van heel Europa; zij bengelen net als België achteraan, al doen ze het wél beter dan ons land. (Portugal doet het wel behoorlijk.) De Europese landen waar de werkzaamheidsgraad van allochtonen het hoogst is, zijn IJsland, Tsjechië, Cyprus en Zwitserland.