Sven Biscop is directeur van het programma ''Europa in de wereld'' van het Egmont-Koninklijk Instituut voor internationale betrekkingen in Brussel en doceert aan de UGent en aan het Europacollege in Brugge.

Ons defensiebudget zou veel beter besteed zijn. Militair gezien bestaat Europa uit kleine landen, met kleine legers en nog kleinere budgetten. Zelfs het Franse en het Britse defensiebudget staan onder zware druk en hun ambitieniveau is dan ook sterk teruggeschroefd. Duitsland heeft al helemaal geen grote ambities. Toch willen we allemaal per se ons eigen ding blijven doen, zonder echte coördinatie met de anderen.

In praktijk komt dat erop neer dat veel landen capaciteiten in stand houden waar er op Europees niveau al een overschot van is (tanks bijvoorbeeld) en die vaak zelfs niet ontplooibaar zijn. Dat is pure verspilling, want tegelijk worden de ernstige lacunes in ons arsenaal niet aangepakt: satellieten, onbemande drones, tankervliegtuigen, precisiemunitie... al de strategische enablers die nodig zijn om hoogtechnologische operaties uit te voeren, met minder risico op gesneuvelden en op burgerslachtoffers. Gevolg: zonder de Amerikanen lukt het haast niet meer. Wat Europa dreigt over te houden zijn bonsai-legers: mooi om naar te kijken, op de nationale feestdag bijvoorbeeld, maar je kan er verder weinig mee aanvangen.

Een Europees leger is de enige oplossing: samen alle nodige capaciteiten bezitten, zonder dat elk land afzonderlijke in alle domeinen moet meespelen. Taakverdeling en schaalvergroting door multinationale eenheden zijn de sleutelwoorden. En top-down coördinatie, om te verzekeren dat alle puzzelstukken in elkaar passen en er geen stukken ontbreken. Vandaag zijn we niet eens zeker dat we allemaal dezelfde puzzel aan het bouwen zijn.

Zo’n Europees leger zal kleiner zijn: er is geen enkele reden waarom we anderhalf miljoen mensen in uniform hebben – dat is meer dan de Verenigde Staten! Het uitgespaarde budget moet naar investeringen in uitrusting gaan en, uiteraard, naar operaties, de kerntaak. Van die anderhalf miljoen kunnen we er vandaag amper 60.000 à 80.000 tegelijk inzetten; van één miljoen kunnen we er met hetzelfde budget minstens dubbel zoveel uitzenden.

Een Europees leger zal dus niet (veel) minder kosten, maar we zullen wel waar voor ons geld krijgen. Europese waar bovendien: een Europees leger betekent ook de keuze voor één Europees project voor elk nieuw wapensysteem dat gebouwd moet worden. Vandaag debatteren we over een Amerikaanse Joint Strike Fighter, omdat we drie verschillende Europese gevechtsvliegtuigen gebouwd hebben, die elkaar beconcurreren. Zelfs Frankrijk koopt vandaag Amerikaanse drones, omdat de Europeanen het nog niet eens zijn geraakt over een eigen gezamenlijk programma.

Ook met een Europees leger blijft Europa zichzelf: een positieve wereldmacht, die streeft naar ‘een veilig Europa in een betere wereld’, de ondertitel van de Europese Veiligheidsstrategie die de EU in 2003 heeft aangenomen. Eenieders vrijheid en gelijkheid garanderen is daartoe het beste middel – daarvoor hebben we een Europese diplomatie en een Europees handelsbeleid nodig. Als dat lukt, is het militaire instrument niet nodig. Maar als dat in sommige gevallen niet lukt, kan Europa toch niet machteloos toekijken? Zeker niet als ons om hulp gevraagd wordt, zoals in Mali of Libië. Dan staat in de toekomst het Europees leger hopelijk paraat.