Vluchtig kapitaal

Misschien had u tot voor een paar maanden geleden nog nooit gehoord van het Engelse woord ‘tapering’, wat zoveel betekent als verminderen. Maar sinds Ben Bernanke het woord in de mond nam om aan te geven dat de Federal Reserve haar steunaankopen op de financiële markten zou kunnen afremmen, is het al ‘tapering’ wat de klok slaat in de dagelijkse beurscommentaren.

Maar ook in de groeilanden heeft het mogelijk dichtdraaien van de Amerikaanse geldkraan gevolgen. Zo zit de Indiase roepie in vrije val, terwijl in Brazilië de rente tot 9 procent werd opgetrokken om te beletten dat de verzwakkende wisselkoers de inflatie doet ontsporen. Veel heeft te maken met het feit dat het jarenlange nulrente-beleid in de VS kapitaal naar de groeilanden heeft versast op zoek naar hogere rendementen. Om te beletten dat hun munt door het dak zou gaan, verlaagden heel wat centrale banken daar ook de rente, wat de binnenlandse vraag een bijkomend duwtje in de rug gaf.

Nu er een einde dreigt te komen aan het soepele geldbeleid in de VS, ziet dit verhaal er voor heel wat beleggers ineens minder aantrekkelijk uit. Bovendien waren er de laatste tijd op tv nogal wat beelden te zien van sociale onrust in een aantal groeilanden, een fenomeen waar internationale beleggers allergisch aan zijn.

Kapitaalstromen kunnen dan ook snel van richting veranderen, een probleem dat recent uitvoerig aan bod kwam op het jaarlijkse congres van centrale bankiers in Jackson Hole. Vooral in landen die buitenlands geld nodig hebben om hun groei te financieren, kan massale kapitaalvlucht een recessie veroorzaken. In Brazilië, Zuid-Afrika, Indonesië, India en Turkije lijkt het risico op een kater na het feest het grootst.

Los van de onberekenbare kapitaalstromen mag men ook niet uit het oog verliezen dat de sterke groei in een aantal ontluikende economieën op rekening te schrijven is van de grondstoffenboom van het laatste decennium. Dat was het rechtstreekse gevolg van de investeringsdrang in China, wat een exploderende vraag naar grondstoffen heeft veroorzaakt. Voor de meeste industriële metalen is het Chinese verbruik goed voor om en bij de 40 procent van de wereldproductie. Nu China echter zijn groeimodel meer op consumptie wil stoelen, neemt de honger naar grondstoffen af. Een lelijke streep door de rekening van landen die nogal exclusief de grondstoffenkaart hebben getrokken.

Betekent dit alles dat het groeiverhaal voorbij is? Dat zou nogal kort door de bocht zijn, want er zijn heus nog wel landen die nog steeds forse groeicijfers neerzetten. Zo kwam in de Filippijnen bij voorbeeld de groei van het bbp in het tweede kwartaal nog altijd op 7,5 procent uit. Het klopt wel dat de Bric-landen een niveau van welvaart hebben bereikt waarop het groeiritme automatisch wat begint te zakken. Het wordt immers minder gemakkelijk om van een inhaalslag te profiteren als men al hoger op de technologische ladder is opgeklommen. Onderzoek van de Amerikaanse econoom Barry Eichengreen bestempelde dit als de ‘midden-inkomensval’. Vanaf een bepaald bbp per hoofd van de bevolking verschuift het groeimodel geleidelijk van de industrie naar diensten, waar de productiviteitswinsten veel lager liggen. Dat gaat dan ook gepaard met een tragere economische expansie.

Goed, 3 à 4 procent groei in plaats van 7 à 8 is nog altijd niet slecht. De financiële markten in de groeilanden dreigen het even moeilijk te hebben door de tijdelijke ommekeer van kapitaalstromen. Maar dat is nog geen reden om ze definitief af te schrijven.