University Inc.
Het is de cultuuromslag door ‘Bologna’ die tot wrevel aan de universiteiten leidt. Foto: VUM

Niemand hoeft verbaasd te zijn dat jonge wetenschappers nu protesteren tegen de hoge publicatiedruk die hen wordt opgelegd. Dat zit in het systeem ingebakken, meent Marc Reynebeau. Want de ‘Bologna’-hervorming verving ook in Vlaanderen de klassieke coöperatieve universiteit door een concurrentieel wetenschapsmodel.

Jonge wetenschappers, opgejut in een concurrentieslag om de carrière – het lijkt het echte leven wel, zoals werknemers in bedrijven. En zo is het ook. Zoals het ook geen toeval is dat de klacht over de hoge publicatiedruk aan de universiteit vooral komt van jonge academici, en vooral van menswetenschappers.

De discussies deze week leken anekdotisch en corporatistisch, alsof enkele mietjes plots last kregen van de hitte in de keuken. Toch zei de Gentse historicus Bruno De Wever, die mee het debat opende (DS 21 augustus), negen jaar geleden al: ‘Er waart een spook door het academische leven: de economisering. Ik voel me in een keurslijf gepropt dat mij helemaal niet past.’ Hij kaartte met name al de A1-‘waanzin’ aan, de overdreven aandacht voor publicaties in internationale tijdschriften (DS 18 oktober 2004).

Wat nu ter discussie staat, was niet alleen voorspelbaar, het ís ook voorspeld. Want het ligt in het hart van de herstructurering van het hoger onderwijs in de zogeheten Bologna-hervorming. Die schoeide de Europese universiteiten en hogescholen op eenzelfde leest, en verving onder meer de oude kandidaturen en licenties door bachelors en masters. Want het model ervoor was het Angelsaksische.

Zeker in België was de breuk groot, want zo verdween het haast feodale model waarin de professor vanop zijn leerstoel zowat alles eigenmachtig besliste, tot zijn eigen opvolging toe. Dat leverde intellectuele vrijheid en academische continuïteit op, maar ook het risico op luiaardij, beunhazerij, machtsmisbruik of nepotisme. Nee, vroeger was het niet beter.

De nieuwe structuur verving het regime van vrijheid door een regime van verantwoording en zelfs wantrouwen. Er hoorde, omdat de wetenschap met belastinggeld werkt, permanent te worden geëvalueerd, ja, ‘afgerekend’. Maar omdat de universiteit voortaan als een bedrijf hoorde te functioneren, leidde dat ook tot een topzwaar management en veel tijdrovende, bureaucratische, vaak als zinloos ervaren paperasserie.

Ook studenten kregen een ander statuut. Zij zijn niet langer de horigen aan de voet van de academische piramide, ze werden letterlijk ‘klanten’, in een louter contractuele, commerciële relatie met de universiteit die hen iets moet leveren: misschien kennis, hopelijk een diploma.

De aard van het beestje

Het nieuwe, zakelijke model ging ervan uit dat, naar een bekend economisch geloof, concurrentie garant staat voor kwaliteit, tussen academici en tussen universiteiten, ook internationaal. Maar concurrentie moet meetbaar zijn. Om dat eenvormig te kunnen doen, kreeg de hele universiteit een model opgelegd dat al vrij courant was in de exacte wetenschappen, die, o zakelijkheid, door hun onmiskenbare nuttigheid superieur leken aan die altijd wat rare menswetenschappen.

In dat model zijn artikels in (vaak erg dure) Engelstalige toptijdschriften de norm, de A1-bladen. Voortaan ook voor menswetenschappers dus, al is dat voor hen niet altijd de gepaste publicatievorm. Voor een coherent exposé hebben ze vaak een heel boek nodig. Zo is het beestje: rapporteren over de voortgang in het kankeronderzoek is nu eenmaal iets anders dan uitleggen hoe de Holocaust in België verliep.

Nog altijd krijgen boeken op het cv een slechts pragmatisch en geen volwaardig statuut en blijven (Engelstalige) A1-artikels de norm, zowel voor de financiering als bij de evaluatie van (mens)wetenschappers. Vastbenoemden kunnen proberen hun productiviteit elders te zoeken, maar dat moet dan wel worden gedoogd en ze zullen trager promotie maken.

Meer middelmatige publicaties

Zeker, ook de menswetenschappen blijven bloeien en internationale ambitie deed nog nooit iemand kwaad. Beoordelingscommissies letten heus ook op de kwaliteit van publicaties en projecten. Zoals de nood om ‘A1’s’ te verzamelen, al is dat eerder om formalistische dan inhoudelijke redenen, de kwaliteit van het onderzoek niet hoeft te drukken. Maar het tegendeel is al evenmin per definitie waar. Het systeem werkt even zeker ook een overproductie van middelmatige publicaties in de hand. En: waar ligt dan de winst? De publicatiedwang vergt veel inzet en drukt andere academische opdrachten weg, zoals onderwijs en dienstverlening, omdat die op het cv toch niet ‘renderen’.

Zo brengt het academische protest iets ruimer aan het licht: de groeipijn van een blind doorgevoerde cultuuromslag. ‘A1’ is de focus van een principe, dat botst met de klassieke, coöperatieve academische cultuur. Daarin concurreren wetenschappers niet, ieder voor zich, met elkaar om de beste te zijn, maar helpen ze de wetenschap samen vooruit in het open intellectuele debat. Of die omslag vooruitgang heeft opgeleverd, is nog niet zeker. Zeker is wel: waar het botst, daar doet het pijn.