Rijmt ‘universiteit’ nog  op ‘kwaliteit’?
Universiteiten kunnen nog heel wat leren van de Verenigde Staten. Foto: Dolph Cantrijn

Het protest tegen de publicatiedruk en het financieringssysteem moeten de nieuwe universiteitsploegen en het departement Onderwijs aangrijpen om de universiteit opnieuw ten dienste te stellen van de brede gemeenschap. Inspiratie is te vinden in de Verengde Staten, stellen Bruno De Wever en collega’s.

De reacties op de recente gevallen van wetenschapsfraude en op de kwantitatieve rankings van universiteiten wijzen niet alleen op een groeiende malaise aan de universiteiten, maar zijn ook de gelegenheid om vooruit te blikken op enkele uitdagingen die nieuwe universitaire beleidsploegen te wachten staan. Onder meer de zoektocht naar een nieuwe verhouding tussen de universiteiten en de maatschappij is vandaag urgent.

Een universiteit heeft een unieke rol in de Europese cultuur. Zij is een onafhankelijke instelling, los van Kerk en Staat. Die autonomie biedt haar de mogelijkheid om niet alleen uitstekend onderzoek en onderwijs te bieden, maar ze ook ten dienste te stellen van de bredere gemeenschap. De laatste decennia is die verhouding echter gewijzigd: universitaire instellingen zijn hoe langer hoe meer (financieel) afhankelijk geworden van de staat, en hebben in ruil daarvoor ingeboet aan autonomie. Zij worden overstelpt met controlemechanismes, visitaties, outputfinancieringssystemen, examendecreten, flexibiliseringsmaatregelen, rapporteringen, taaltesten, enz. Die lijken afzonderlijk wel zin te hebben binnen een systeem van “accountability”, maar ze zijn ook mee verantwoordelijk voor een grote malaise binnen de universiteiten. De overheersende verzuchting is: wanneer kunnen we nog bezig zijn met onze corebusiness: onderwijs, onderzoek en dienstverlening? Nog zorgwekkender is de paradox waar dit alles toe leidt. Sommige mechanismen zorgen er immers voor dat de universiteit nu juist minder dienstbaar is aan de brede gemeenschap, terwijl zij die dienstbaarheid niet alleen aan de maatschappij verschuldigd is, maar haar ook graag wil aanbieden.

Tentoonstellingscatalogus

Een eerste voorbeeld van deze paradox is het onderzoek. Publicaties worden gemeten volgens bepaalde criteria, om na te gaan welke meetellen voor individuele en universitaire onderzoeksfinanciering. Het systeem is eenvoudig: hoe meer erkende publicaties, des te meer financiering. Wat op zich een vrij rechtvaardig meritocratisch systeem lijkt, heeft echter een aantal perverse neveneffecten, zoals toenemende fraude. Een van de nadelige neveneffecten is dat onderzoeksactiviteiten gericht op onmiddellijke dienstverlening aan de gemeenschap in dit systeem meestal niet meetellen: organisatie van tentoonstellingen, kunstcatalogi, tekstedities van cultureel erfgoed, artikels en boeken in het Nederlands bestemd voor een breed publiek.

Want hoe berekent men de waarde van een monografie, waaraan jaren is gewerkt? Van een in het Nederlands geschreven boek over de Eerste Wereldoorlog dat zich richt tot een breed publiek? Van een vertaling van een Arabisch auteur uit de middeleeuwen? Van een tentoonstellingscatalogus over het Gruuthuse­handschrift? Van een vulgariserend artikel over het Higgs-deeltje in Eos? Van een reflectie over de hervorming van het secundair onderwijs in Ons Erfdeel? Het antwoord is simpel: al deze genres worden in het beste geval sterk ondergewaardeerd en in het slechtste geval helemaal niet gewaardeerd. Ze tellen niet mee voor Shan­ghai- of andere rankings, maar ook niet voor de financiering van de Vlaamse universiteiten.

De boodschap aan (jonge) onderzoekers is: besteed geen aandacht aan deze activiteiten; het is niet goed voor je carrière. Deze onderwaardering gaat in tegen de oorspronkelijke missie van een universiteit. Wil men dat de universiteit dienstbaar blijft aan de bredere gemeenschap, dan bestaat de uitdaging erin de mechanismes hiertoe grondig aan te passen opdat dit soort activiteiten gevalideerd wordt.

Tweede paradox: de nadruk op onderzoek leidt tot een ontmoediging van universitair onderwijs, een ander gebied waarop men de band met de samenleving kan versterken. Het is een dubbele paradox want ondanks deze ontmoediging is de planlast van het onderwijs nooit groter geweest waarbij er vooral wordt gemeten: in-, door- en uitstroom van het aantal studenten, tijdsmetingen, zelfevaluatierapporten en verbeterplannen. Dit alles leidt vooral tot papierbergen, eindeloos vergaderen, bureaucratische waterhoofden, zodat steeds minder tijd overblijft voor de student en de promovendus. Wat er in de leslokalen, in de hoofden en hopelijk ook de harten van de studenten gebeurt, blijft buiten de tabellen. Docenten geraken zo dubbel ontmoedigd: hun onderwijs weegt niet op tegen onderzoek terwijl ze tegelijk ondergesneeuwd worden door onderwijsbureaucratie.

Een andere kijk op universitair onderwijs kan inspiratie vinden bij wat men in de Verenigde Staten noemt ‘leren via dienstverlening’ (service learning) of ‘leren gebaseerd op de gemeenschap’ (community based learning). Dit zijn onderwijsvormen waarbij studenten en docenten een gemeenschap (‘universitas’) vormen en niet alleen leren via theoretische vorming maar ook via praktijkervaring, stages en dienstverlening. De achterliggende gedachte is dat studenten de opgedane kennis kunnen ervaren door een rechtstreeks contact met de gemeenschap, en eventueel kunnen bijdragen aan de analyse en oplossing van maatschappelijke problemen. Belangrijk hierbij is dat studenten de gelegenheid krijgen om hun kennis in de wereld toe te passen en er daarna over te reflecteren. Deze vorm van leren geeft gestalte aan het idee dat ‘iets teruggeven aan de bredere gemeenschap’ een belangrijk aspect is van universitaire vorming.

Van de berg af en de straat op

Uiteindelijk gaat dit debat over welke onderliggende filosofie gehanteerd wordt. Het fundamentele probleem lijkt ons te zijn dat de overheid in haar streven om transparantie te bekomen over de kwaliteit van universitair onderzoek en onderwijs alle heil verwacht van kwantitatieve indicatoren. In haar ambitie om de universiteiten tot uithangbord te maken van de kennismaatschappij dreigt de overheid zo precies het tegenovergestelde te bereiken van wat ze beoogt: een uitdieping van de kloof tussen universiteit en maatschappij. Terwijl zoveel academici niets liever willen dan van hun berg af te komen en hun wetenschap op straten en pleinen mee te delen.

Daarom roepen we onze rectoren en het departement Onderwijs op om samen te gaan zitten: in plaats van voortdurend nieuwe en belastende regelgeving te creëren, dienen ze ruimte te scheppen voor een cultuur van vertrouwen en creativiteit zodat de band tussen de universiteit en de bredere maatschappelijke gemeenschap opnieuw wordt versterkt. We roepen hen op om de fout gegroeide regelgeving aan te pakken. We vragen hen in de eerste plaats om het financieringsdecreet op de universiteiten te herzien zodat maatschappelijke betrokkenheid aangemoedigd wordt in plaats van ontmoedigd.

U kan rechtsboven reageren op dit artikel.