Wat we zelf doen...
illustratie Randall Casaer

De wetenschapsbeliever en de diepreligieuze medemens hebben één ding gemeen: een pessimistisch beeld van de mens, die een hogere kracht (de ratio, God) nodig zou hebben om zich een beetje te gedragen. Frans de Waal leerde van de bonobo’s dat wat meer vertrouwen best mag: een diersoort ontwikkelt zelf wel een sociaal systeem. Paul Verhaeghe geeft hem groot gelijk.

Paul Verhaeghe (1955) is hoogleraar ­klinische psychologie en psychoanalyse aan de UGent. Al ruim tien jaar gaat zijn belangstelling vooral naar de invloed van maatschappelijke ­veranderingen op psychologische en psychiatrische moeilijkheden. Bekend van de boeken ‘Liefde in tijden van eenzaamheid’ en het recente ‘Identiteit’ (De Bezige Bij, 2012).

Een boektitel is geen eenvoudige zaak, wat al blijkt uit de vertaling ervan. In de oorspronkelijke Amerikaanse editie luidt het The bonobo and the atheist. In search of humanism among the primates. In het Nederlands wordt dat De bonobo en de tien geboden. Moraal is ouder dan de mens. Mocht er een Vlaamse editie komen, dan zou De bonobo en de hoofddoek. Trivialiteiten als bliksemafleider een passende titel kunnen zijn, maar dit geheel ter zijde.

Atheïsme dus. Bij wijze van introductie stel ik even de hoofdrolspelers voor. Bonobo’s zijn primaten, net zoals chimpansees, maar hun gedrag is heel erg verschillend. Ze leven in matriarchaten (alfa-vrouwtjes leiden de groep), zijn uitgesproken sociaal en gebruiken seksualiteit (in alle denkbare vormen, behalve incest) als middel om de sociale vrede te bevorderen. Amerikanen zijn eveneens primaten. Ze leven in een patriarchaat, zijn uitgesproken religieus en gebruiken wapens als middel om hun versie van vrede te bevorderen. De atheïsten in de versie die Frans de Waal in dit boek viseert, zijn Amerikaanse gelovigen die het ongeloof prediken. Waarmee meteen duidelijk wordt dat je in de VS een geloof móét hebben; onverschillig zijn tegenover religie is des duivels.

Ik kan mij levendig voorstellen dat dit uitdagend geschreven boek in the land of the free and the home of the brave stof heeft doen opwaaien, en niet alleen omdat De Waal zich ‘out’ als ongelovige, maar vooral omdat hij dogmatische gelovigen én rabiate atheïsten herleid tot wat ze zijn: fundamentalisten. Hij getuigt daarbij van een duidelijk psychoanalytisch inzicht: hoe rabiater de atheïst, des te groter de kans dat hij (het zijn meestal mannen) een traumatische voorgeschiedenis heeft met religie. Atheïsme als nieuw geloof van de brights, zoals ze zichzelf noemen, bekeringsijver inbegrepen.

De waarheid in pacht

In Europa hebben we dit soort discussies veel minder, wat meteen meer aandacht mogelijk maakt voor de onderliggende inzet, met name de verhouding tussen wetenschap en moraal. Ook hier gaat De Waal de controverse niet uit de weg met zijn stelling dat zowel wetenschap als religie patriarchaal moraliserend kunnen worden. Iemand die rotsvast gelooft in hetzij religie, hetzij wetenschap (of, godbetert, in psychoanalyse!), wordt vrij snel een moraalridder die vooral de anderen de les gaat lezen.

In dat geval worden wetenschap en religie elkaars rivalen, in de overtuiging dat zij – en alleen zij – de morele waarheid in pacht hebben. Die waarheid heeft dan alles te maken met het naar voor schuiven van een bepaald mensbeeld waarvan zij beweren dat dit het enige juiste is – Get real (wetenschap), Ecce homo (Ziedaar de mens, religie) – en dat we bijgevolg maar beter onze maatschappij naar dat beeld kunnen organiseren. Voor de religie wordt dat De civitate Dei (De stad Gods, Augustinus), voor de Amerikaanse wetenschap de survival of the fittest, welteverstaan in een sociaal-darwinistische versie.

In de moraalfilosofie staat die redenering bekend als de ‘naturalistische dwaling’: wetenschap is niet in staat het onderscheid te gronden tussen goed en kwaad. De droom van een rationele moraal gebaseerd op morele waarheden die buiten de mens liggen en die opgelegd moeten worden door een inforcer, is nauwelijks verschillend van een religieuze moraal. Beide redeneringen zijn uitermate arrogant, wat blijkt uit hun mensbeeld: de mens is slecht en dom, het vlees is zwak en er is een hogere macht (God, de Wetenschapper) nodig die in zijn plaats een moreel regelsysteem uitdenkt en oplegt.

Vrijen, niet vechten

Niet zo bij De Waal, en dit op grond van twee argumenten, die hij wetenschappelijk onderbouwt. De wortels van onze moraal zijn te vinden in ons evolutionair bepaald gedragsrepertoire, waarin het sociale aspect centraal staat. Het tweede argument sluit daar onmiddellijk bij aan: moraal is een zaak van voelen, van emoties en niet van ‘cognities’ of de rede.

Met uitzondering van de mens hebben primaten geen religie en geen wetenschap, en toch organiseren alle mensapen hun gemeenschap in functie van een collectief belang. Het boek staat vol leuke voorbeelden: chimpanseevrouwtjes die tegenstribbelende mannetjes verplichten vrede te sluiten, alfamannetjes die vaak partij kiezen voor de zwakste, de groep die de alfaman heel duidelijk bijstuurt, bonobo’s die vrijen in plaats van te vechten, enzovoort. Samenwerking en gedrag in functie van de groep komen zo vaak voor dat het zonder meer vreemd is dat wetenschappers dit zo lang niet zagen of zelfs letterlijk weigerden te erkennen (‘Dat zijn uitzonderingen’). Primaten delen voedsel, zorgen voor elkaar, kennen zowel gevoelens van dankbaarheid als van wraak, dat alles gebaseerd op een heel belangrijk kenmerk: empathie, het kunnen voelen wat de ander voelt. Bovendien beperkt dit zich niet tot bloedverwanten, zelfs niet tot de eigen soort. Wanneer een onderzoekster met een tussenpoos van een jaar ‘haar’ apen weer opzoekt, en vol trots haar baby toont, rent een bonobovrouwtje onmiddellijk naar binnen om háár baby te halen, die ze vervolgens met evenveel trots toont aan de onderzoekster.

Sociale agressie

Voor De Waal is de conclusie duidelijk: moraal daalt niet neder uit de hemel of de universiteit, maar komt van onderen uit tot ontwikkeling. Evolutionair-biologisch ligt de grond van onze moraal in twee wezenlijke kenmerken die we met de andere primaten delen: empathie en onze sociale aard. Het ultieme motief is het erbij willen horen, op basis daarvan ontstaan geïnternaliseerde regels. En nee, dit is geen terugkeer naar le bon sauvage in een geitenwollensokkenversie van Rousseau. De Waal heeft evenzeer aandacht voor de agressie die in ons zit en die vooral op soortgenoten wordt gericht. Maar zelfs agressie (vaak beperkt tot imponeergedrag) heeft voor hem een positieve functie: dit is de manier waarop primaten (dus ook wij) een sociale hiërarchie uitbouwen, zodat we destructie kunnen vermijden. En ook daar ligt een link met moraal, want die sociale hiërarchie is niets anders dan een efficiënt systeem van remmingen en impulscontrole, die in ideale omstandigheden zo goed als automatisch verlopen.

Mijn conclusie: in deze tijden van top-downmanagement en overregulering, met als paradoxaal gevolg steeds meer mensen die dromen van een verlichte dictatuur, biedt dit boek een verfrissend denkkader. We kunnen en mogen erop vertrouwen dat mensen, als groep en in groep, in staat zijn hun eigen zaken te regelen, gebaseerd op een evolutionair ingebakken gevoel voor rechtvaardigheid en samenwerking, zonder dat dit van bovenuit moet opgelegd worden – hetzij door god, hetzij door de grote roerganger, hetzij door de markt. We kunnen het zelf, en het wordt ook tijd dat we het zelf doen, in plaats van te blijven zeuren.

U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig