De Nepalese overheid zal vanaf volgend jaar expedities op de Mount Everest strenger controleren, om het milieu beter te beschermen en om incidenten te vermijden. Vlaams berggids Jan Vanhees vindt het een goed initiatief.

Voor het eerst zal een regeringsteam vanuit het basiskamp (op 5000 meter) de expedities coördineren en niet meer vanuit de hoofdstad Kathmandu. De grote hoeveelheid afval die expedities achterlaten is al jaren een probleem. Elk jaar gaan er vanuit Nepal meer dan dertig expedities naar de hoogste berg ter wereld.

Maar de jongste tijd waren er ook een aantal gênante incidenten, onder meer een gevecht tussen sherpa’s en bergbeklimmers. Ook proberen klimmers almaar gekkere stunts te doen: op de top op hun hoofd gaan staan of zich in hun blootje laten fotograferen.

Extreem toerisme

Vlaming Jan Vanhees van het berggidsbureau Namaste Mountainguides kent de problemen. Hij heeft zelf al zes keer een Himalaya-expeditie gedaan.

‘Ik vind het een goed idee dat de Nepalese overheid strenger wil toekijken. De jongste tijd heeft de Everest veel te maken met wat we in de sportsociologie “extreem toerisme” noemen. Dat zijn mensen die eigenlijk niets kennen van klimmen maar gewoon de Everest willen beklimmen voor de kick. Meer en meer krijg je van die “commerciële ploegen” die er heel veel geld voor over hebben om de berg te mogen beklimmen. Je mag ook niet vergeten dat de Nepalese overheid heel veel verdient aan die toeristen.’

Een van de grote problemen op de Everest is de milieuvervuiling. Vroeger stookten expedities het hout op dat je onderweg vond om eten te verwarmen. Al een tijd lang verplicht men hen om eigen brandstof mee te nemen. Volgens Jan Vanhees mag men daar zeker nog verder in gaan.

‘De expedities laten enorm veel afval achter op de berg. Dan denk ik in de eerste plaats aan allerlei blikken met eten. Heel wat klimmers hebben te weinig respect voor het milieu. Het is goed dat men hen strenger controleert.’