Particratie wil gekooide koning
Carl De Keyzer, Brussel. Uitvaart koning Boudewijn, 1993. Foto: Magnum Paris
Neen, er bestaat geen argument dat overtuigend pleit voor de erfelijke monarchie. De onstuitbare ontwikkeling richting het ceremoniële koningschap bewijst dat. Maar dat maakt de instelling niet minder penibel, vindt Bart Sturtewagen.

 

De stelling van veel politici dat ze republikein zijn, maar niet in België, lijkt gebaseerd op intellectuele luiheid. Maar het is erger, ze verdoezelt het ware motief. Dat we een monarchie hebben, Marc Reynebeau herinnerde er deze week nog aan in zijn reeks ‘De Koppige Coburgs’, was niet de wens van de Belgische revolutionairen van 1830. Het was het eerste Belgische compromis, onder druk van de mogendheden die de van Nederland afgescheurde nieuwe staat moesten erkennen. Die afscheuring was de laatste aflevering van een eeuwenlange, niet aflatende reeks oorlogen en politieke huwelijken die de aanhorigheid van onze gewesten telkens weer veranderde. Rolf Falter beschreef dat vorig jaar meesterlijk in zijn boek Geschiedenis zonder land.

Het toeval, serieel geweld en kuiperijen hebben beslist over het bestaan van België. Als het toen niet was ontstaan en niet bijna twee eeuwen lang miraculeus al zijn uitdagingen had overwonnen, dan zou niemand het vandaag uitvinden. Hetzelfde geldt voor de monarchie. Als ze er niet was, zouden we ze niet invoeren. Dan hadden we andere instellingen gehad en andere grondwettelijke gewoonten. De bewering dat de monarchie een unieke kwaliteit toevoegt aan een complexe democratie, snijdt geen hout.

Vorige week verhinderde een verkozen president, Anibal Cavaco Silva, in Portugal dat de gruwelijke financiële en sociale crisis in een politieke impasse zou belanden. Hij weigerde het ontslag van de regering. Als gematigd conservatief drong hij aan op de opname van de socialisten in de bewindsploeg. Als politicus bleek hij heel goed in staat om, zoals de Engelsen dat zo mooi noemen, to rise to the occasion. Om te doen wat de uitzonderlijke omstandigheden van hem vroegen.

Degeneratie

Leg daarnaast de situatie in Spanje: Juan Carlos begon als redder van de natie na het infame Franco-regime en stond pal bij de staatsgreep van kolonel Antonio Tejero Molina in 1981. Ook in Spanje leek het dus dat men republikein van inborst kon zijn en toch de monarchie als noodzakelijk en onmisbaar omarmen. Maar de oude koning heeft bewezen wat telkens weer blijkt: te lang aan de macht blijven leidt altijd tot degeneratie en zelfs corruptie. Is er iemand die denkt dat koning Juan Carlos nog kan bijdragen tot de politieke stabiliteit, nu hij en zijn familie besmeurd zijn door amoureuze en financiële schandalen? De nood zou nochtans snel aan de man kunnen komen, want de conservatieve premier Mariano Rajoy is verstrikt in een steekpenningenschandaal.

Het volk zijn president laten verkiezen levert zeker niet altijd de bekwaamste kandidaat op. Zelfs de met het meeste enthousiasme op het schild gehesen president eindigt doorgaans met ontgoocheling en vervreemding. De winnaar is degene die met het meeste succes een wervende utopie kan voorhouden. Maar onvermijdelijk wordt hij nadien geconfronteerd met de taaiheid van de realiteit.

We evolueren onhoudbaar naar een ceremonieel koningschap. Leopold I zat nog zelf de ministerraad voor en Albert I en Leopold III waren in oorlogstijd nog echt opperbevelhebber van het leger. Nu is zowat elke verwijzing naar de koning in de grondwet feitelijk in onbruik. Het staat er nog, maar we bedoelen er iets anders mee.

Toch beweren toppolitici nog steeds dat er geen federale regering kan worden gevormd als de koning niet als facilitator en klankbord optreedt. Aan een concurrerende politicus zouden ze nooit hun diepste roerselen kunnen meedelen, heet het. Wat een onzin: de onderhandelingen worden altijd met politieke tegenstrevers gevoerd. Het is ongeloofwaardig dat partijvoorzitters alleen aan een koning in het geheim dingen kunnen toevertrouwen, wetende dat hij vervolgens met hun opponenten praat. Veel waarschijnlijker is het dat de koning wordt geïnstrumentaliseerd, zoals Mark Van den Wijngaert in zijn recente boek over Albert II schrijft. Hij dient als bliksemafleider en soms als megafoon. Niets meer.

Stuiptrekkingen

Dat het niet mogelijk zou zijn een andere sterveling in het koninkrijk te vinden die deze taak aankan is grotesk. Als het waar was, zou het betekenen dat de politieke elite niet gelooft dat een voorzitter van de Kamer, bijvoorbeeld, bij machte is zich voor de duur van zijn opdracht boven de partijen op te stellen. Als dat het geval is, dan is het met de kwaliteit van het politieke personeel nog droeviger gesteld dan de bevolking al aanneemt.

Nee, de enige reden waarom België een monarchie blijft, wie ook door de loterij van de erfopvolging wordt aangewezen, is dat het de particratie het beste uitkomt. De geschiedenis van de Belgische vorsten is er een van continu afnemende feitelijke macht. De catastrofale soloslim van Leopold III in de Tweede Wereldoorlog en het verzet van Boudewijn tegen de abortuswet waren in die trend slechts stuiptrekkingen. Ze hadden de ondergang van de monarchie kunnen betekenen als de politici het niet liever anders hadden gezien.

Het officiële ceremoniële koningschap moet, samen met strengere financiële regels voor de koninklijke familie, elk risico op incidenten voortaan uitsluiten. Het gevolg is wel dat de instelling helemaal een gouden kooi wordt. De absurditeit dreigt: een familie wier lot het is tot het einde der tijden opvolgers voort te brengen die de natie symboliseren, maar die geen mening of macht mogen hebben. Valt dat nog te rijmen met de rechten van de mens? Het is dan definitief zoals de Britse koning George V voorspelt in de film The King’s Speech, bij de opkomst van de radio: ‘We zijn vervallen tot het laagste beroep ter wereld. We zijn acteurs geworden.’