Wat als... Syrië Servië was?
Syrië, 2013. Foto: Rodrigo Abd/ap

In twee jaar tijd is in Syrië al bijna evenveel bloed gevloeid als in tien jaar Joegoslavische oorlogen. En toch lijken we er amper wakker van te liggen, stelt ook Timothy Garton Ash vast. Is dat onbewust racisme, of is er meer aan de hand?

‘Nooit meer!’ roepen we. Na de Tweede Wereldoorlog. Na Rwanda. Na Bosnië. En dan gebeurt het weer. En weer. Volgens de jongste schattingen heeft de oorlog in Syrië bijna 70.000 levens gekost en hebben meer dan 4 miljoen Syriërs humanitaire hulp nodig. Er zijn twee miljoen binnenlandse en misschien wel anderhalf miljoen buitenlandse vluchtelingen. Unicef telt bijna drie miljoen kinderen die hulp nodig hebben of gevlucht zijn. Dit is nu al een van de grootste humanitaire rampen uit de recente geschiedenis. Nog even en we hebben een Somalië aan de Middellandse Zee.

Toen het conflict in 2011 begon, was de bevolking van Syrië ruwweg vergelijkbaar met die van Joegoslavië in 1991, toen daar de oorlog uitbrak: ongeveer 23 miljoen mensen. In tien jaar Joegoslavische oorlogen kwamen meer dan 100.000 mensen om het leven en telde men ongeveer vier miljoen vluchtelingen. Syrië nadert in amper twee jaar tijd de bloedige oogst waar Joegoslavië tien jaar heeft over gedaan.

Waarom ligt het woord ‘Syrië’ dan niet op alle lippen? Twintig jaar geleden had iedereen het over Bosnië. Tien jaar geleden had iedereen het over Irak. We hebben inmiddels een door de VN bekrachtigde doctrine van de ‘verantwoordelijkheid tot bescherming’, als reactie op wat er in Joegoslavië en Rwanda is gebeurd. Als de verantwoordelijkheid tot bescherming niet op de ramp in Syrië van toepassing is, waarop dan wel?

Het positieve nieuws over een akkoord tussen Servië en Kosovo, moeizaam bemiddeld door Catherine Ashton, de Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken van de EU, roept een ongemakkelijke vraag op: hoe anders zou het zijn als Syrië in Europa lag en Servië in het Midden-Oosten? Het schandelijkste antwoord zou suggereren dat Europeanen een Europees leven meer waard vinden dan een Arabisch. Laat staan een Afrikaans: zelfs als het cijfer van 5,4 miljoen doden sinds 1998 in het gewapende conflict in de Democratische Republiek Congo overdreven zou zijn, overschaduwt die oorlog alle andere. Onbewust racisme of niet, het feit dat in het gewezen Joegoslavië Europeanen stierven en in Irak veel westerse landen zelf soldaten op het terrein hadden, heeft ongetwijfeld een verschil gemaakt.

Een minder beschamende verklaring voor het gebrek aan bezorgdheid over Syrië, vergeleken met Servië, is het gegeven dat Europa zich heeft uitgeroepen tot het continent van de vrede – nadat het de rest van de wereld in twee oorlogen had meegesleept. Oorlog en genocide op eigen bodem waren rechtstreekse uitdagingen van het Europese verhaal en de Europese identiteit. We lieten toe dat andere Europeanen werden gedood of massaal werden verdreven, terwijl onze zogenaamde leiders pathetisch verklaarden dat ‘het uur van Europa aangebroken is’, dat wel, maar we gaven er tenminste om. Syrië is, cru gesteld, een ver land waar we weinig over weten. Onze eigen mannen en vrouwen sterven daar niet, afgezien van enkele dappere oorlogscorrespondenten en, zoals onlangs is gebleken, een handvol Europese jihadstrijders en avonturiers.

Niemand kent De Oplossing

Maar er is een andere reden waarom Syrië geen fel debat uitlokt, terwijl Bosnië en Irak dat wel deden: niemand kent een oplossing. In Bosnië deden we de balans doorslaan in het gewapende conflict tussen Kroaten, Serviërs en Bosniërs en brachten we daarna alle partijen aan tafel om een onvolmaakte maar bruikbare regeling te vinden die op de aanvaarding van een etnische verdeling was gebaseerd. In Kosovo gebruikten we directe macht, in de lucht en op de grond, om een vrede tot stand te brengen die op een nog meer ingrijpende etnische verdeling berustte. Dertien jaar later maakt de prille toenadering tussen Servië en Kosovo die verdeling een beetje beschaafder, op zijn Europees, geholpen door de aanlokkelijke belofte van een mogelijk lidmaatschap van de Europese Unie.

Vooral in Amerika, Groot-Brittannië en Frankrijk worden sommige mensen verleid door het idee dat een versoepeling van het Europese wapenembargo tegen Syrië, medio mei, de kansen kan doen keren in het voordeel van de rebellen. Correctie: de juiste rebellen, niet de akelige, die met hun banden met Al-Qaeda. We zouden dan kunnen bemiddelen in onderhandelingen over een overgang naar een nieuw Syrië, zonder Assad. Volgens Julien Barnes-Dacey van de European Council on Foreign Relations is die mogelijkheid onwaarschijnlijk. Niet alleen omdat Assad verbeten zal blijven vechten. Niet alleen omdat hij door de Syrische minderheden – de alawieten, de christenen, de sjiieten en de druzen – zal worden gesteund tegen een oppositie die nu bijna volledig met de soennitische islam wordt geïdentificeerd. Maar ook en vooral omdat hij steun zal blijven krijgen van buitenlandse machten, in de eerste plaats Iran, die menen dat hun eigen toekomst op het spel staat. Een grootschalige luchtcampagne en buitenlandse troepen op het terrein zouden de oorlog waarschijnlijk in het voordeel van de rebellen kunnen beslechten. Maar ‘breken is betalen’. Wie wil een nieuw Irak?

Maar het radicale alternatief waarvan Barnes-Dacey de eerste lijnen heeft geschetst (een de-escalatie van het conflict, waarbij alle betrokken partners zouden afspreken de wapenstroom af te snijden in plaats van hem te vergroten en hun beschermelingen op het terrein zouden aansporen om een politiek compromis te vinden) lijkt even weinig kans op succes te hebben. Ik vrees dat Syrië in werkelijkheid een voorbode zou kunnen zijn van wat gaat komen. In het gewezen Joegoslavië was een groep gelijkgezinde machten – Europa en het westen – overweldigend sterk aanwezig. Rusland vormde een tegengewicht, China in mindere mate eveneens, maar geen van beide landen had het gevoel dat hun vitale nationale belangen in Servië op het spel stonden, terwijl in Syrië veel buitenlandse machten dat wel hebben. Toch heeft het zelfs in Joegoslavië tien jaar geduurd voor er een onvolmaakte vrede kwam, ten koste van meer dan 100.000 doden en miljoenen ontheemden.

Een bloedige 21ste eeuw?

In een nulpolige of een G-0-wereld waarin verscheidene rivaliserende machten, zowel globale als regionale, belangen hebben in een gebroken land, wordt het moeilijker om burgeroorlogen en proxy-oorlogen te stoppen. De twintigste eeuw, die honderd jaar geleden begon met de Balkanoorlogen die tot de Eerste Wereldoorlog zouden leiden, was de bloedigste in de geschiedenis van de mensheid. Tenzij we nieuwe manieren vinden om conflicten op te lossen, manieren die sterk genoeg zijn om de nieuwe wereldwanorde te beheersen, zou de eenentwintigste eeuw nog bloediger kunnen worden.

Wie? Brits historicus, schrijver en hoogleraar aan de universiteit van Oxford.

Wat? In de wereld van vandaag hebben zoveel blokken tegenstrijdige belangen in gebroken landen, dat oplossingen steeds complexer worden.