Christophe Coppens overtuigt als kunstenaar
Foto: javier barcala
Met een solo-expo in het prestigieuze Boijmans Van Beuningen Museum in Rotterdam heeft Christophe Coppens alle frustratie van de voorbije jaren van zich afgeworpen. De voormalige accessoiremaker ontroert er de toeschouwer met een installatie vol kleur, poëzie en… bergen. Er is leven na de hoeden – zoveel is duidelijk.

“Ik heb mijn eerste berg gemaakt luttele dagen voor mijn bedrijf failliet verklaard is”, zegt Christophe Coppens. We zitten samen op een bankje binnen in het museum en Coppens ziet er goed uit. Gezicht ietwat gebruind, sweater losjes om het lijf, handen in elkaar gehaakt. “Ik wou al lang iets met keramiek doen, dus ging ik in de leer bij Hugo Meert. Na die ene berg, heb ik nog een berg gemaakt, en nadien nog een.” En toen kwam hij aan in Los Angeles, waar hij nu bijna zes maand verblijft, en zag dat de stad ook omringd is door bergen. “Waarop ik nog meer bergen ging maken.”

In totaal zijn het er zo’n 300-tal waarvan hij een selectie toont in een afgesloten ruimte van het museum. Wie de plek binnen komt, kan niet anders dan onder de indruk zijn van wat er staat. Op een hoge sokkel, telkens op een plateautje, kleur bij kleur, berg naast berg. Zelf wil ik vooral blijven kijken. Want bij elke aanblik zie ik iets anders. Referenties naar het verleden zijn er zeker. Een stapel papier, een ringmap met daarop ‘collectie winter 2012’, zijn oorkonde als officiële hofleverancier, persknipsels (uit De Standaard, jawel), foto’s. Op een stapel bijeen gebracht en overspoten met rode verf. Bergen gemaakt van oude kleren. Alsof Coppens komaf maakt met zijn garderobe (Dries Van Noten, Martin Margiela) en zodoende de deur naar de toekomst opent.

Verder heel veel aaneengenaaide stoffen. In grove steken, een complete tegenstelling met het verfijnde métier dat hij tot vorig jaar beoefende (waar elke steek perfect moest zitten). Niet alles is modegerelateerd, want her en der duiken bergen (of bergjes) op met flarden keramiek. Machtige stuks zijn het, in de kleurenfrisheid die ze naar buiten brengen, in de woordenloze poëzie die je ervan afleest. Coppens heeft de voorbije maanden niet altijd in een hoekje zitten kniezen. De frustratie van mislukking probeerde hij tegen te gaan door een ultieme frisheid aan de dag te leggen. Zoete kleuren, een samengaan van organische vormen, van bergen die door hun veelheid schoonheid worden. Ik vraag me bij dit alles één ding af: waarom heeft Coppens deze keuze niet eerder gemaakt? Misschien was hij altijd al die kunstenaar, en waren die hoeden en sjaals en broches een immense omweg?

Zelf gelooft hij dat niet. Hij heeft de 21 jaar als ontwerper nodig gehad om te staan waar hij vandaag staat. Gelukkig kreeg hij van mecenas Han Nefkens de kans om dit werk te maken. “Ik belde Han een dag voor het faillissement publiekelijk gemaakt werd”, vertelt Coppens. “Ik heb al vaker met hem samengewerkt en ik wilde niet dat hij het nieuws vanuit de media zou moeten vernemen.” Nefkens (die geregeld delen van zijn H+F Collectie voor Hedendaagse Kunst uitleent aan musea, red) belde Coppens ’s anderendaags terug en bood hem een uitdaging aan: een opdracht om nieuw werk te maken. Coppens moest geen twee keer nadenken. Nefkens zelf was op de dag van de opening een tevreden man. En Coppens? Was hij niet erg bang, voor hij zijn werk toonde? “Neen”, klinkt het resoluut. “Ik was hier helemaal klaar voor.”