Hugo Chávez won vele oorlogen, maar niet de strijd tegen kanker. Hij laat een verdeeld en gewelddadig land na, maar gaf de armen en lage middeklasse macht en waardigheid.

De pas overleden Venezolaanse president Hugo Chávez kan worden bijgeplaatst in het ruime pantheon van Latijns-Amerikaanse caudillos, de vele militaire leiders die meenden dat niet de corrupte burgerpolitici, maar alleen de gedisciplineerde en autoritaire hand van de soldaat hun land de eerste wereld kan binnenloodsen. De meeste van hen waren van rechtse of extreem-rechtse signatuur, maar er waren in het verleden best ook wat socialistische caudillos die Chávez als voorbeeld konden dienen: Jacobo Arbenz in Guatemala, Lázaro Cárdenas in Mexico, Omar Torrijos in Panama, of Juan Velasco Alvarado in Peru. De jonge paracommando Hugo Chávez hoorde Velasco in 1974 speechen tijdens de herdenking van de historische veldslag bij Ayacucho en was zwaar onder de indruk. Velasco hield de aanwezige militairen voor dat ze moesten opkomen voor de werkende klasse als de regerende elite corrupt was. Zijn allergrootste held, echter, kende de jonge Chávez alleen uit de geschiedenisboeken. Simon Bolívar, de Venezolaanse generaal die in het begin van de 19de eeuw Venezuela, Colombia, Ecuador, Peru, Panama en Bolivia bevrijdde van de Spaanse overheersing.

Hugo Chávez (28 juli 1954) is het product van de rigide klassemaatschappij die veel Latijns-Amerikaanse landen nog altijd zijn. Chávez' ouders waren leerkrachten uit de lage middenklasse. Geletterde mensen met een grote belangstelling voor geschiedenis en politiek, maar zo’n karig inkomen dat Hugo Chávez de armoede als kind aan den lijve ondervond. De enige manier voor jongeren als hij om sociale promotie te maken, was toetreden tot het leger. Op zeventienjarige leeftijd trok hij naar de militaire academie van Caracas, het begin van een steile legercarrière. Hij bestudeerde leven en werk van Simon Bolivar, las de dagboeken van Che Guevara, en speelde in zijn vrije tijd baseball met de arme arbeidersjeugd van Caracas.

Hugo Chávez was amper 23 toen hij binnen het leger een geheime revolutionaire beweging opstartte, die een middenweg beoogde tussen het geweld van het extreem links verzet en het ultra-rechtse beleid van de heersende elite. Geleidelijk ontwikkelde hij zijn ‘Bolivariaanse doctrine’, zonder vooralsnog persoonlijke politieke ambities te koesteren. Zijn oversten kregen echter argwaan en verbanden Chávez naar het grensgebied bij Colombia. Het werd opnieuw een leerschool, want Chávez ging zich het lot van de indiaanse bevolking aantrekken.

Sociale onrust


Tegen eind jaren tachtig deden de door het IMF opgelegde neoliberale dereguleringen ook in Venezuela de sociale onrust toenemen. President Carlos Andrés Pérez liet in 1989 de volksopstand El Caracazo met geweld neerslaan. Honderden manifestanten verloren het leven. Voor Hugo Chávez was dat een kantelmoment. Hij begon actief een staatsgreep voor te bereiden.

Operación Zamora vond plaats op 4 februari 1992, maar faalde. Chávez gaf zich over, maar kreeg in ruil voor een geweldloze overgave toestemming om de bevolking toe te spreken vian de televisie. Het was een meesterzet. In militair uniform verklaarde hij dat zijn plan voorlopig niet was gelukt. Met nadruk op voorlopig. Plots kende de hele natie die anonieme kapitein die het had aangedurfd in opstand te komen tegen het corrupte regime. Voor de armen was Hugo Chávez op slag een held.

In 1994 liet de nieuwe president Rafael Caldera de opstandige militairen weer vrij. Chávez begon aan een lange, politieke campagne van onderuit. Hij won de vriendschap van Fidel Castro en stelde zich in 1997 kandidaat voor de presidentsverkiezingen van het volgende jaar. Tot de verbazing van de mainstream media en zijn politieke tegenstanders won de charismatische Hugo Chávez de verkiezingen. Blijkbaar had iedereen onderschat hoe groot de afkeer was geworden voor het corrupte en gescleroseerde tweepartijenstelsel dat Venezuela al decennia lang bestuurde, zonder dat de bevolking er veel op vooruit gegaan was. Geen enkel Latijns-Amerikaans land had in de tweede helft van de twintigste eeuw zo gemakkelijk zo veel geld verdiend als het olierijke Venezuela, en daar zo weinig mee gedaan.

Oliedollars

Toen Chávez eenmaal de kraan van oliedollars bediende, zette hij ambitieuze programma’s op om extreme armoede te bestrijden, de gezondheidszorg toegankelijk te maken en onderwijs voor de armsten op te zetten. Het deed zijn populariteit onder de massa’s alleen maar toenemen. Maar Chávez koos voor de ideologie in plaats van het pragmatisme waarmee linkse regeringen in Chile en Brazilië wél structurele hervormingen doorvoerden ten gunste van de armen en de middenklasse, zonder echter investeerders en ondernemers af te schrikken. Chávez gebruikte de macht van het stembiljet om in ijltempo zijn eigen positie te betonneren. Via een referendum opende hij de weg naar een grondige herziening van de grondwet. De nieuwe constitutie versterkte de rechten van vrouwen en indianen en verankerde het algemeen recht op huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg. Maar ze gaf ook veel meer macht aan de president, onder meer in economisch beleid, ze verlengde zijn ambtstermijn van vijf tot zes jaar en maakte hem herverkiesbaar. Venezuela heette voortaan de Bolivariaanse Republiek Venezuela.

Een radicale en controversiële onderwijshervorming gaf het establishment in 2002 munitie om grote massa’s op straat te krijgen tegen Chávez. Het kwam tot gewelddadige confrontaties tussen voor- en tegenstanders en onder druk van een dreigende militaire coup deed Chávez een stap opzij. Het zou een kort intermezzo worden, want de interimregering van de zakenman Pedro Carmona gooide al na twee maanden de handdoek weer in de ring. Hugo Chávez keerde op 14 april terug naar het presidentieel paleis en is sindsdien onafgebroken aan de macht in Venezuela.

Erfgenaam

De verschillende pogingen om hem buitenspel te zetten, hebben Hugo Chávez geradicaliseerd. Hij gooide de sociaal-democratie of de Derde Weg overboord, en ging vanaf 2005 voluit voor het ‘Socialisme van de 21ste eeuw.’

Hugo Chávez zag zichzelf als de ideologische erfgenaam van Simón Bolívar, die het hele continent zou bevrijden van het Amerikaanse kapitalistisch juk en een eigen, socialistische koers zou laten varen. In werkelijkheid werden landen als Brazilië, Chile en Colombia de bakens van de Latijns-Amerikaanse heropstanding, terwijl Chávez Venezuela verder isoleerde door allianties aan te gaan met Iran, Cuba, het Syrië van Assad, het Nicaragua van Daniel Ortega en -absoluuut dieptepunt- de Colombiaanse guerrilla Farc. Hugo Chávez bouwde een personencultus uit, legde onafhankelijke media aan banden en kocht politieke steun in binnen- en buitenland. Zijn achillespees was echter dat hij daarvoor bijna volledige afhankelijk was van de olie-inkomsten.

Maar de oppositie kon nooit echt een vuist maken, omdat ze voor de meerderheid van de Venezolanen geloofwaardigheid miste. Alleen de elite heeft baat bij een terugkeer naar het pre-Chávez tijdperk. De armen kregen van Chávez een stem en waardigheid. De middenklasse schippert tussen de zekerheid van het status quo en het verlangen naar meer politieke en economische vrijheid. Hoewel Hugo Chávez vooral in deze laatste groep enorm aan populariteit heeft ingeboet, zorgde de angst voor een restauratie ervoor dat hij op 7 oktober 2012 toch herkozen werd voor een vierde ambstermijn. Maar kanker heeft hem belet zijn Bolivariaanse revolutie te voltooien. Op 30 juni 2011 had Hugo Chávez in een televisietoespraak vanuit Havana voor het eerst toegegeven dat hij was behandeld voor kanker. In de aanloop naar de presidentsverkiezingen heette het dat hij volledig was hersteld, maar kort na zijn overwinning keerde hij naar Cuba terug voor een nieuwe operatie. De Venezolaans autoriteiten moesten toegeven dat er complicaties waren. Zijn eedaflegging werd uitgesteld. In een miliatair hospitaal in Caracas is hij dinsdag overleden. Een luchtwegeninfectie werd hem fataal. Hij werd 58 jaar.