Het was nogal een storm die Jan Fabre over zich heen kreeg na de ‘kattenrel'. Althans, dat zegt Jan Fabre zelf. Tom Naegels is streng: één bron volstaat niet.

‘28.000 haatmails later.' Zo luidde de titel op de voorpagina van dS Weekblad van 1 december, en daar vielen behoorlijk wat lezers over. Want acht-en-twin-tig-dui-zend, dat was wel érg veel. Had de krant dat wel gecheckt?

Wel, nee. Het getal duikt op in een interview met Jan Fabre. Journalist Filip Rogiers volgde de kunstenaar een nacht lang in Parijs, en praat onder meer met hem over het ‘kattenincident' van begin november. Fabre zegt dan zelf: ‘Mijn kantoor heeft 28.000 haatmails gekregen, al mijn medewerkers hebben doodsbedreigingen ontvangen. Ford Genk is gesloten, duizenden mensen staan op straat. Zij kregen op Facebook 500 steunbetuigingen, wij kregen 28.000 haatmails.'

Opmerkelijk: zowel Filip Rogiers als Johan Faes, de eindredacteur van dS Weekblad die mee de titel koos, zeggen dat ze geen geloof hechten aan het getal. Rogiers: ‘Wij vonden het ook veel, en Fabres entourage ook. Maar bij het nalezen heeft hij het laten staan. Ik heb het niet gecheckt, omdat het voor mij over Fabres beleving gaat. En over de essentie: massaal veel reacties daarvoor versus 500 voor Genk.'

Johan Faes: ‘Het getal zegt iets over de enorme hetze die dat opgepookte voorval genereerde op Facebook en krantenfora. En natuurlijk zegt het iets over de zin voor overdrijving bij Fabre zelf, die leeft van de uitvergroting. Ik vind dat je vrijer kan omgaan met titels van een weekbladinterview, dan met die van feitelijke nieuwsstukken in de krant. De titel moet aanzetten tot lezen, en als je dat doet, dan zie je meteen dat het Fabres eigen woorden en getallen zijn.'

Verrechtsing

Ik ben het daar niet mee eens. Een titel is meer dan een lokker: het is een feitelijke bewering over een reële gebeurtenis. Ik denk niet dat lezers onderscheid maken tussen de genres: velen hebben begrepen dat De Standaard Fabres onwaarschijnlijke bewering geloofwaardig maakte, door ze als feit te presenteren.

En ze namen dat de krant kwalijk, omdat Fabre meer doet dan de zaken ‘uitvergroten'. Haatmails vermelden is deel van een retorische strategie: Fabre creëert de indruk dat hij het moet opnemen tegen een enorme groep gevaarlijke tegenstanders, die intens onverdraagzaam is. Bovendien definieert hij die groep politiek: zowel in het eerste nieuwsartikel (‘Jan Fabre in elkaar geslagen', DS 2 november ) als in dit interview legt hij het verband met ‘de verrechtsing' en ‘de N-VA-politici die de zaak aan de grote klok hebben gehangen'.

In een recente column op deredactie.be vertelt Kristien Hemmerechts – die wij niet van verrechtsing zouden durven te beschuldigen – hoe ze in juni 2009, lang voor dit incident, een publieksinterview van Fabre in Montreal meemaakte. ‘Eén passage zal ik nooit vergeten', schrijft ze. ‘Die ging over België, en over Antwerpen. Zoals Fabre het voorstelde, heulde heel Antwerpen mee met Vlaams Belang en had zowat iedere inwoner hun gedachtegoed omhelsd. Hij, Jan Fabre, was de ene hoopgevende uitzondering. Een baken van licht in de duisternis. Voor zijn overtuiging betaalde hij een hoge prijs: iedere nacht moest hij elders onderdak zoeken.'

De anekdote deed me zelf in het persarchief duiken. In de reportage in dS Weekblad zegt Jan Fabre dat hij al drie keer ‘fysiek angst' heeft moeten hebben in zijn eigen land: ‘Eerst waren er de vleespilaren van Over the edges . Daarna kreeg ik last met Heaven of delight , de installatie waarbij ik het plafond van het Koninklijk Paleis in opdracht van koningin Paola een nieuwe huid aanmat met 1,5 miljoen schildjes van de juweelkever… Ik heb toen een tijdje op andere adressen moeten logeren. Een paar keer ben ik 's nachts aangevallen. In België is kunstenaar zijn een gevaarlijk beroep geworden.'

Sla ik er het archief op na, dan valt op dat er in de berichtgeving over de hampilaren van het Gentse kunstproject Over the edges uit april 2000, nergens wordt gesproken over bedreigingen aan het adres van Fabre. Integendeel: de kunstenaar zegt dat hij in Colombia was toen de heisa woedde, en dat hij ze aan zich voorbij heeft laten gaan. Het was Jan Hoet die toen in een mediastorm belandde. Maar ook die hoefde niet te vrezen voor zijn leven. Ja, er waren betogers en mensen schreven lezersbrieven en Joyce De Troch deelde gratis broodjes hesp uit aan daklozen. Maar als er al melding is van agressie, dan richtte die zich tegen de hamzuilen zelf – díé werden een poosje bewaakt, omdat vandalen er lapjes afrukten.

De berichtgeving over Heaven of delight vermeldt zelfs helemaal geen controverse. Iedereen vond het mooi. Het is ook mooi.

Het kan natuurlijk dat hij er destijds liever niet over sprak, of dat de pers er toen minder interesse voor had; ik beweer niet dat Fabre liegt, maar de krant weet ook niet of hij de waarheid spreekt. Het oorspronkelijke artikel over de aanval in Park Spoor Noord is geschreven op basis van slechts één bron: Fabre zelf. Kunstcriticus Jan Van Hove, die het stuk maakte, zegt me dat hij Fabre al jaren kent en een vertrouwensrelatie met hem heeft opgebouwd. ‘Ik kan me niet voorstellen dat hij daarover tegen mij zou liegen.' Dat snap ik, iedere journalist schat de geloofwaardigheid van zijn bron in, en vertrouwen is daarbij belangrijk, maar toch: je vertelt het verhaal na aan lezers die Fabre niet persoonlijk kennen, en die zich wél kunnen voorstellen dat hij daarover zou liegen.

Ook die moeten ervan overtuigd zijn dat hun krant hen de waarheid vertelt. En dan is één bron – zoals altijd – onvoldoende. Zeker als die op zijn minst het vermoeden wekt al vaker de agressie tegen zijn persoon te hebben overdreven.