De integrale tekst van de 11-juli toespraak van Bart De Wever

Waarde voorzitter,
Geachte aanwezigen,
Beste vrienden,

‘Vlamingen, gedenk wat Vlaanderen eertijds was, wat het nu is en wat het eens zal worden.’ Met die woorden sloot Hendrik Conscience zijn boek ‘De Leeuw van Vlaanderen’ af. Een boek waarmee Conscience aan de embryonale Vlaamse natie het instrument gaf om zichzelf te veruitwendigen: de symboliek van de Guldensporenslag. Dankzij dat boek is 11 juli onze feestdag. Dankzij dat boek is onze vlag de klauwende leeuw. Dankzij dat boek is ons volkslied ‘De Vlaamse Leeuw’. Dankzij dat boek vond de benaming ‘Vlaanderen’ voor de Nederlandssprekende gemeenschap in België definitief zijn ingang. Er zijn weinig romanciers in Europa die zo’n impact hebben gehad op een gemeenschap als Hendrik Conscience. Alleen al daarom is hij in mijn visie een groot schrijver.

Voor mij is 11 juli dan ook niet de sacrale herdenking van een of andere glorieuze veldslag die 700 jaar geleden op heroïsche wijze werd uitgevochten ergen in West-Vlaanderen. De Guldensporenslag was een veldslag van dertien in een dozijn. Een veldslag die zonder het boek van Conscience buiten de studeerkamer van historici amper relevantie zou hebben voor het hedendaagse Vlaanderen.
Elf juli is voor mij het moment om mij te wijden aan de opdracht die Conscience de Vlamingen meegaf in de laatste regel van zijn boek. Het moment om eens stil te staan bij waar wij vandaan komen, hoe we er momenteel voorstaan en wat de toekomst voor ons in petto heeft. Kortom, het moment om de Staat van Vlaanderen op te maken.
Wie zo’n staat van Vlaanderen opmaakt, moet ook eerlijk met zichzelf zijn en de hand in eigen boezem durven steken. Ik ben de eerste om toe te geven dat het Vlaamse beleid er niet steeds in slaagt om in de praktijk te brengen waar de meerderheid van de bevolking en ondernemers terecht om vraagt.
In Vlaanderen hebben we soms te kampen met een haperende politieke besluitvorming en een gebrek aan een consequente uitvoering van wat beslist is. Denk maar aan de wurgende mobiliteitsknoop rond Antwerpen, de saga rond de groene stroom (meer zonnepanelen in Vlaanderen dan in Australië, waar de zon wél schijnt…) of aan het hardnekkig sprookje dat openbaar vervoer in Vlaanderen gratis uit de hemel kan vallen.
Niet alleen België kent trouwens een veelheid aan bestuurslagen en een groot en log overheidsapparaat. Ook Vlaanderen is in dat bedje ziek. De regeldrift die daaruit voortvloeit, levert een complex web van elkaar overlappende voorschriftjes en vergunningen op en vormt een rem op de ondernemingslust van de Vlaming. Dat wil niet zeggen dat ik er voorstander van ben om Vlaanderen vol te storten met beton of eender waar een megawinkelcentrum neer te planten. Maar we moeten erkennen dat de Vlaamse burger en ondernemer gebukt gaat onder een breed amalgaam van regels waar niemand door de bomen nog het bos in ziet.
‘Wat we zelf doen, kunnen we beter doen’, het goede woord van Gaston Geens werd ons adagium. Gaandeweg gingen we het echter anders zeggen: ‘wat we zelf doen, doen we beter’. En dat is fout. Anno 2012 zou iedereen moeten zien dat zelfgenoegzaamheid in deze tijden ongepast is. De moeilijkheid om vast te houden aan beslist beleid, de bestuurlijke drukte en de regeldrift, creëren een rechtsonzekerheid die het vrije initiatief en de ontplooiing van de Vlaming in de weg staan. Dat kan niet. We moeten realistisch zijn en oog hebben voor onze beperkingen, maar ook ambitieus en met vertrouwen in ons eigen kunnen. U hoort mij niet zeggen dat het Vlaamse onderwijs perfect is. Alles kan beter, leerde Mark Uytterhoeven de Vlaming 15 jaar geleden, en het onderwijs vormt daar geen uitzondering op. Maar als ik als Vlaming op iets trots ben, dan is het zeker op de kwaliteit van het onderwijs dat onze scholen, directies én leerkrachten, nu al decennia brengen.


Het doel van ons onderwijs is leerlingen te laten excelleren, om het beste uit elke leerling te halen, en zijn talenten ten volle tot bloei te laten komen. Het doel is niet het niveau naar beneden te brengen, de lat zo laag te leggen dat iedereen er over kan springen. Ik citeer het oordeel van de Nederlandse auteur Joost Zwagerman (zelf van PVDA-signatuur) over de hervorming van het onderwijs bij onze noorderburen: ‘Leraren worden nu verordonneerd te zeggen: wij trekken je niet langer op naar een vereist kennisniveau. Nee, ze moeten nu zeggen: wij laten jou zelf bepalen wat jouw niveau is. Dat is newspeak voor: wij laten je gewoon zelf aanklungelen. We laten je, kortom, in de steek.’ Het resultaat van deze hervorming, door Zwagerman samengevat als een operatie ‘dumbing down’, is dat er volgens de auteur tienduizenden Polen naar Nederland komen om het werk te doen terwijl evenveel Nederlandse jongeren de school verlaten met een onwetendheid die hen is bijgebracht als keurmerk van hun authenticiteit.

Dat nooit, dames en heren, dat nooit in Vlaanderen aub. Niemand zal ontkennen dat wij moeten werken aan de te hoge ongekwalificeerde uitstroom, aan de schoolmoeheid, aan de taalachterstand van vele leerlingen, aan de schromelijke en onterechte onderwaardering van het technisch en het beroepsonderwijs en aan de problematische oriëntatie van leerlingen richting hoger onderwijs. Maar, het is streven naar excellentie dat altijd voorop moet blijven staan, dit moet het waarmerk van Vlaanderen worden inzake onderwijs en levenslang leren.

‘Wat we zelf doen, moeten we beter doen’, dàt moet onze slagzin worden. We doen het niet vanzelf beter, maar we hebben de plicht om het beter te doen. We moeten uit onze luie zetel komen, de mouwen opstropen en aan de slag gaan. Samen werk maken van een betere toekomst, voor alle Vlamingen.

We moeten gaan naar een slanke maar efficiënte overheid die een ondernemingsvriendelijk klimaat en rechtszekerheid creëert. Belangrijke stappen zijn bijvoorbeeld het feit dat Vlaanderen de vergunningsprocedures versnelt, de activering opvoert tot 58 jaar, de loopbaanbegeleiding van aanbodgericht omkeert naar vraaggericht, het overheidspersoneel met 6% afslankt en de bouwvergunning en de milieuvergunning samenvoegt tot één ‘Omgevingsvergunning’. In die richting moeten we resoluut doorgaan. Met beleid dat de Vlamingen uitdaagt. Uitdaagt om ambitie te tonen, om lef te hebben, om te durven innoveren… De nood aan die excellentie is immers groot.
Ooit was Vlaanderen een Europese topregio, met een hoge arbeidsproductiviteit, een substantieel marktaandeel in de wereldhandel en een concurrentievermogen dat conjunctuurbestendig was. Vandaag zijn wij hoogstens een goede middenmoter die in een dalende lijn zit. Onze handelsbalans duikt diep in het rood, het ondernemersklimaat brokkelt af en de investeringen lopen terug.
Onze collectieve schuld bedraagt nog steeds ongeveer 100% van het bruto binnenlands product, de belastingsdruk is zowat de hoogste ter wereld en tegen 2017 verwacht het Planbureau een toename van de werkloosheid in België met 40.000 werklozen tot 660.000. En dat terwijl er vandaag in Vlaanderen nog steeds meer dan 50.000 vacatures niet ingevuld raken.
En toch is ons land volgens sommigen een ‘top performer’. De Belgische economie heeft de internationale financieel-economische crisis immers veel beter doorstaan dan de meeste andere Europese landen. Onze economische groei herneemt en de groeiverwachtingen voor 2012 behoren tot de beste van Europa. Bovendien is de rentevoet die ons land moet betalen om geld te lenen op de financiële markten gehalveerd omdat we ons strikt houden aan het afgesproken pad om het begrotingstekort terug te dringen zoals voorzien in het Europees stabiliteitspact. Als we de goednieuwsshow van sommigen mogen geloven, tenminste.

Ik zie een heel andere werkelijkheid. Die economische groei waar zo breed mee wordt uitgepakt, bedraagt hoogstens 0,6%. Voor jobcreatie in de private sector is minstens een economische groei van 1% nodig. Bovendien is die beperkte groei vooral het gevolg van export, die overwegend op het Vlaamse conto kan worden geschreven en die we realiseren doordat onze Vlaamse wagon vast hangt aan de Duitse locomotief. Die groei is er dus dankzij Duitsland en de hervormingen die daar werden doorgevoerd. Maar Duitsland is nu net de grote boeman van degenen die zich hier zo graag op die groei beroemen. De Duitse hervormingen worden hier net door hen met alle macht tegengehouden. Ik hoop dat u even hard van die ironie kan genieten als ikzelf.
Hét grote probleem in ons land is en blijft het onontkoombare feit dat werken onvoldoende loont. In geen enkel OESO-land is het verschil tussen de totale loonkost voor werkgevers en het nettoloon van werknemers zo groot als in België. Hier bedraagt de gemiddelde loonwig maar liefst 55%, tegenover gemiddeld 40% in onze buurlanden en handelspartners.
Bovendien blijkt uit officiële cijfers van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven dat onze loonkosthandicap ten aanzien van Duitsland, Frankrijk en Nederland de voorbije jaren nog verder is opgelopen: van 20% in 2008 naar 24% in 2011. En cijfers van Eurostat leren ons dat de arbeidskost in België nu al met 39 euro per uur de hoogste van de Eurozone is, en 11 euro boven het gemiddelde ligt. Zelfs 16 euro hoger als men het gemiddelde neemt van de hele Europese Unie.
Op veel beterschap hoeven we echter niet te hopen. Sterker nog, het Planbureau verwacht dat de loonkost in België jaarlijks met 2,7% zal toenemen. Dat is hoger dan de gemiddelde groei van de voorbije 15 jaar. Onze loonkostenhandicap zal dus de komende jaren nog verder stijgen. En dat vertaalt zich op de arbeidsmarkt. Volgens het Planbureau zal de arbeidsdeelname de komende 5 jaar toenemen met amper 1,2 procentpunt tot 68,5%. Daarmee blijven we mijlenver onder de Europese doelstelling van 75% tegen 2020.

Het is duidelijk dat wij dringend werk moeten maken van structurele hervormingen en dat we in de eerste plaats iets moeten doen aan de lasten op arbeid. Niet voor de mooie ogen van de werkgevers, maar precies omdat niets doen zeer asociaal is. Immers, vooral wie zwak staat op de arbeidsmarkt is er slachtoffer van dat er door de hoge lasten op arbeid te weinig jobs worden gecreëerd. Bovendien levert werken voor de meeste langdurig en laaggeschoolde werklozen nauwelijks meer op dan werkloos blijven.
Op die manier houdt ons systeem kwetsbare werklozen gevangen in een structurele uitkeringsafhankelijkheid. Een gevangenis die het electorale reservoir vormt van partijen die het status quo bewaken. Pogingen tot hervorming botsen hier dan ook steevast op ideologische veto’s. Er worden weliswaar mooie principes afgesproken, maar het concrete akkoord hierover moet vervolgens worden afgekocht met allerlei peperdure compensaties, het wordt uitgehold via tal van uitzonderingen om tot slot te worden geneutraliseerd in de effectieve uitvoering.
Op het einde van de rit ben je soms verder van je initiële doelstelling verwijderd dan bij de start van de hervorming.
Het Belgische model blijft gericht op het vrijwaren van de verworven rechten voor wie vandaag reeds werk heeft, onder andere via het relatief hoge minimumloon, het brugpensioen of de automatische loonindexering. En ondanks de schone schijn van deze regering, wordt dit model op geen enkele wijze structureel hervormd.
Het brugpensioen verandert wel van naam, maar blijft in de praktijk onverkort bestaan en het activeringseffect is nihil. Door de toeslag die bruggepensioneerden ontvangen bovenop hun RVA-uitkering wordt het verschil met het loon dat ze zouden kunnen verdienen door opnieuw aan de slag te gaan in de praktijk nagenoeg volledig uitgevlakt. Zo zitten ze vanaf 52 jaar structureel vast in een werkloosheidsval.


Ook de zogezegde versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen is een maat voor niets. De enige realisatie op dat gebied is een nodeloos complex systeem met tal van opeenvolgende periodes en uitzonderingen waar de modale werkgever of werkzoekende niet wijs uit raakt. Als zelfs het hoofd van de studiedienst van het ABVV zegt dat de complexiteit van het nieuwe systeem problematisch is voor de uitbetalingsinstellingen, dan moet ik er geen tekeningetje meer bij maken.
En dan hebben we het nog niet gehad over de automatische loonindexering. De regeringspartijen en de sociale partners beseffen maar al te goed wat nationale en internationale rapporten én de Europese Commissie telkens weer bevestigen. Het huidige systeem van automatische loonindexering betekent een structurele bedreiging voor de concurrentiepositie van een erg open economie als de onze. Als we niet durven ingrijpen in het indexmechanisme wordt onze loonkostenhandicap ten opzichte van de Duitse economische locomotief steeds groter.
Niemand pleit voor de afschaffing van de index, maar de voorstellen van de Nationale Bank om het systeem ter hervormen mogen niet zomaar worden weggesmeten. Het huidige systeem zorgt er voor dat iemand die maar net boven het minimumloon verdient, van een opslag van 100 euro welgeteld 45 euro in zijn zak krijgt. De werkgever moet er dan nog 33 euro sociale zekerheidsbijdrage bovenop betalen. Slotsom: 45 euro netto voor de kleine verdiener (een bedrag waarop die nog belastingen zal betalen in de vorm van btw, taksen en accijnzen) en 88 euro voor vader staat. Wiens koopkracht wordt er nu eigenlijk echt beschermd?
De harde waarheid is dat er nog geen enkele maatregel genomen werd om onze loonkosten onder controle te houden en onze competitiviteit te herstellen. Werken moet meer lonend zijn dan niet-werken. Point final. En best door een gedeeltelijke verschuiving van de lasten op arbeid naar indirecte belastingen zoals bijvoorbeeld de BTW.

Het verwijt dat dit de gepensioneerden zou treffen, is wel het goedkoopste argument dat er is. Zijn we dan de enigen die beseffen dat de pensioenkas binnenkort leeg zal zijn als we er niet in slagen meer mensen aan het werk te krijgen? De Studiecommissie Vergrijzing heeft berekend dat tussen nu en 2030 de kost van de vergrijzing in de pensioenen en gezondheidszorg zal oplopen met 4,5% van het bruto binnenlands product. Dat is 17 miljard euro extra uitgaven in de sociale zekerheid op jaarbasis! Tegen dan zal het effect van de huidige pensioenhervorming welgeteld 0,8% BBP zijn. Ontoereikend dus.
Tot nader order is er ook nog geen enkele structurele maatregel genomen om de oplopende kost van de ziekteverzekering te beheersen. De hervorming van de RVA-uitkeringen levert een besparing op van minder dan 1% van het betrokken RVA-budget en de uitgaven voor de Sociale Zekerheid zullen volgens het Planbureau in de toekomst sneller stijgen dan de economische groei. Het structurele tekort van de federale overheid zal dus verder oplopen.

Ik kan op de vooravond van onze feestdag niet anders dan concluderen dat we er niet goed voorstaan. De uitdagingen, zowel sociaaleconomisch, institutioneel als Europees, zijn enorm. Het federale model heeft niet alleen zijn limieten bereikt zoals de vorige premier stelde, het is tot op de draad versleten.

In januari 2004 publiceerden de toenmalige federale ministers Johan Vande Lanotte en Frank Vandenbroucke een openbrief waarin ze dat jaar uitriepen tot scharnierjaar. Het jaar waarin keuzes moesten worden gemaakt om de vergrijzing op te vangen, de gezondheidszorg en de pensioenen betaalbaar te houden en de sociale zekerheid klaar te maken voor de nieuwe eeuw. De PS veegde de wijze woorden onder de mat, doopte de openbrief om tot ‘Le problème Frank’ en Vandenbroucke mocht verkassen naar de Vlaamse regering.

Tien maanden later publiceerde hij ietwat bitter een nieuwe openbrief waarin hij nog eens duidelijk stelde dat het vijf voor twaalf was. Men moest werk maken van de sanering van de begroting, de hervorming van de arbeidsmarkt en de begrenzing van de uitgaven in de gezondheidszorg.
Vandaag, acht jaar later, is het niet meer vijf voor twaalf. De wekker is ondertussen luidop afgegaan. Maar de PS blijft nog steeds rustig doorslapen en hooghartig alle wezenlijke hervormingen blokkeren.
Ons land geraakt Europees geïsoleerd en dreigt economisch kopje onder te gaan, terwijl de oplossingen voor de hand liggen. Ten eerste moet de arbeidsdeelname structureel omhoog en daarvoor moeten we de loonvorming op een intelligente wijze hervormen. En ten tweede moeten we gaan naar een begrotingsevenwicht bij alle overheden door institutionele hervormingen die de deelstaten responsabiliseren, door de overheidsefficiëntie te vergroten en door de sociale zekerheid te saneren om ons sociaal systeem betaalbaar te houden. Dat zijn hervormingen die durf vragen.
De socialistische partijen wijzen er echter telkens weer fijntjes of minder fijntjes op dat er voor hen aan bepaalde heilige huisjes onder geen beding geraakt mag worden. Al wie behoedzaam opmerkt dat men toch eens zou moeten kijken naar wat Duitsland doet of zelfs nog maar naar wat de Europese Unie ons aanbeveelt, wordt meteen versleten voor een extreemrechtse neoliberaal die tegen solidariteit en groei is.
Zelfs Europees president Herman van Rompuy werd slachtoffer van die ideologische razernij. Toen hij zijn masterplan naar een echte economische en monetaire unie voorstelde, kreeg hij van minister Magnette de mededeling te verwerken dat het plan onevenwichtig, te rechts, betuttelend en niet-democratisch is. Mijn excuses, maar op die manier wordt elk debat onmogelijk.


Meer dan ooit moet onze Vlaamse blik op Europa gericht zijn. Het besef groeit dat de Europese Unie een België in het groot aan het worden is. De Duitsers stellen volkomen terecht dat zij niet financieel moeten opdraaien voor de landen die niet op tijd de nodige sociaaleconomische hervormingen hebben doorgevoerd.
En zij hebben evenzeer het gelijk aan hun kant als zij stellen dat men een schuldencrisis niet oplost door de kraan van de overheidsuitgaven volledig open te draaien en meer schulden te maken. Niemand kan de Duitsers verwijten dat ze geen zin hebben om de Vlamingen van Europa te worden.
‘No taxation without representation’ is een fundamenteel principe van de democratie. Men kan niet van burgers eisen dat zij betalen zonder het beleid mee te mogen bepalen. En toch is dat de boodschap die vandaag vanuit het Elysée naar Berlijn vertrekt: tais-toi et sois Européen. Dat is dezelfde boodschap die wij al decennialang vanuit de Wetstraat 16 horen, en die nu luider dan ooit klinkt: tais-toi et sois Belge.
De Europese integratie en de Vlaamse staatsvorming lopen steeds meer parallel. De komende jaren zullen bepalend zijn voor de richting die wij inslaan. Wordt Europa een schuldenunie die de economische concurrentiepositie zal ondergraven? Blijft Vlaanderen gekluisterd aan het Belgische institutionele kluwen dat ons steeds verder het economische moeras intrekt? Of kiezen wij voor echte economische en institutionele hervormingen die de democratische draagkracht en de internationale competitiviteit vergroten? Dat is de keuze die de komende jaren zal worden voorgelegd aan de Vlamingen én de Europeanen. Het is een keuze die onze toekomst zal bepalen.

 

 

Beste vrienden,
Ik schaam mij er hoegenaamd niet voor dat ik Vlaming ben, en ik weiger mij ook een minderwaardigheidscomplex te laten aanpraten. Integendeel. Ik geloof in de gemeenschap waarin ik ben geboren, waarin ik ben opgegroeid. De gemeenschap die mij de kansen heeft gegeven om mijzelf te ontwikkelen en die mijn toegangspoort tot de wereld is. Ik geloof in de mensen die samen met mij die gemeenschap vormen, en die samen de toekomst willen vormgeven. Kortom, ik geloof in Vlaanderen.
Maar ik stel wel vast dat de democratische rechten van de Vlamingen op een schandalige manier met de voeten worden getreden. De grootste partij van de grootste gemeenschap van het land wordt gewoon buitenspel gezet. Vlaanderen koos voor een centrumrechts beleid en een verregaande staatshervorming, het kreeg een PS-beleid en institutionele borrelnootjes die Vlaanderen peperduur betaalt. Over enkele dagen wordt in de Kamer de splitsing van BHV gestemd. Een stemming die exemplarisch is voor deze regering.
Zevenenvijftig Franstalige Kamerleden, aangevuld met 49 Vlamingen, zullen dit steunen. Dus slechts 4 Franstalige Kamerleden zullen tegenstemmen.
Ongetwijfeld zal deze splitsing als een trofee in de lucht worden gestoken. In realiteit krijgen we een akkoord dat handenvol geld kost, nieuwe privileges voor de Franstaligen betonneert en het probleem niet zal pacificeren maar enkel verdiepen. In Brussel offeren de Vlamingen bovendien hun electorale positie op en gaan ze dramatisch achteruit in gerechtszaken. Dit akkoord als een grote Vlaamse overwinning verkopen, is de grens van het cynisme voorbij.
In dit land werd de meerderheid al institutioneel geminoriseerd door de grendelgrondwet. Nu wordt de meerderheid ook politiek en democratisch geminoriseerd. De meerderheid van dit land, de gemeenschap die bovenmatig bijdraagt tot de staatsfinanciën, is de minderheid geworden in de huidige federale regering (vergelijking: regering in VK gesteund door meerderheid van Schotten en minderheid van Engelsen…).
Dit is totaal onaanvaardbaar. Tot hier en niet verder. We hebben geen behoefte meer aan wat gerommel in de marge. In 2014 moeten we het confederalisme doorvoeren en het zwaartepunt van het beleid écht naar de deelstaten verhuizen. Vlaanderen moet eindelijk het sociaaleconomisch beleid kunnen voeren waar de Vlamingen voor kiezen en dat Europa ons vraagt.
Ik zou dan ook willen eindigen met een boodschap van hoop. Hoop dat Europa de druk op België kan houden om toch maar die minuscule stappen te blijven zetten. Hoop dat de Vlamingen niet langer zullen pikken dat hun stem gewoonweg wordt genegeerd. Hoop dat er een kantelmoment komt waarbij de kracht van verandering zo groot wordt, dat niemand ze nog kan tegenhouden.
Ik dank u.
 

U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig