Waarheid in oorlogstijd
Foto: jimmy kets
Van de slachtpartij in Houla werd altijd beweerd dat het Syrische regime erachter zat, tot een Duitse krant schreef dat de rebellen verantwoordelijk waren voor het bloedbad. Hoe zit dat nu, vroeg een lezer aan Tom Naegels.

Op 7 juni verscheen er in de Duitse kwaliteitskrant Frankfurter Allgemeine Zeitung (FAZ) een artikel waarin een gruwelijk en druk gerapporteerd verhaal uit de Syrische burgeroorlog ter discussie werd gesteld. Volgens de ervaren correspondent Rainer Hermann zou de slachting in Houla van 25 mei, waarbij 108 mensen het leven lieten onder wie 49 kinderen, niet gepleegd zijn door regimegetrouwe Shabiha-milities, maar door jihadi's, verbonden aan het rebellerende Vrije Syrische Leger. Als bewijs voert de krant aan dat de slachtoffers vrijwel allemaal alawieten of tot het sjiisme bekeerde soennieten waren. Deze minderheden steunen doorgaans het Assad-regime. De soennieten van Houla, vaak sympathisant van de rebellen, zou geen haar gekrenkt zijn. Later citeerde de krant ook de enige overlevende van de slachting, de elfjarige Ali Al Sayyid, die getuigde dat de moordenaars ‘kaalgeschoren waren en lange baarden hadden' – met het commentaar: ‘zo zien fanatieke jihadi eruit, niet Shabiha'. De slachting zou in die versie een afrekening zijn met Assad-getrouwen, een sektarisch-religieuze zuivering én een gruwelijk efficiënt staaltje oorlogspropaganda, want de wereldmedia en talloze wereldleiders gaven Assad de schuld, wat een militaire interventie dichterbij bracht.

Ook De Standaard deed dat. En dat is wat een lezer me voor de voeten wierp: waarom de versie van de FAZ, toch geen roddelblad, geen aandacht heeft gekregen in deze krant, die nog op 15 juni online expliciete foto's plaatste van dode Syrische kinderen, die, aldus het redactioneel commentaar, ‘de waarheid' vertellen over hoe ‘het Syrische regime zijn eigen volk teistert'.

Problematisch

‘Ik denk, en ik niet alleen, dat de FAZ zich heeft laten vangen', zegt De Standaard-correspondent Jorn De Cock, die lang in Syrië woonde en nu de burgeroorlog verslaat vanuit Beiroet. ‘Talloze ooggetuigen spreken hun versie tegen: die worden geciteerd in het rapport van Human Rights Watch, waar nog geen letter van is teruggenomen, of in de verslagen van de weinige journalisten die ter plaatse zijn geweest. Zelf heeft Hermann geen getuigen gesproken: hij schrijft vanuit Damascus, en sprak met “bemiddelaars” die ooggetuigen zouden kennen.'

‘Er zit ook geen logica in. Houla is een vrijwel uitsluitend soennitische stad, omgeven door alawitische dorpen. Het Vrije Syrische Leger gebruikt Houla al maandenlang als uitvalsbasis. Het is dus weinig waarschijnlijk dat er daar nog regimegetrouwe families zouden wonen, als die naar de alawitische dorpen hadden kunnen verhuizen. Inwoners van Houla die de vermoorde families kenden, ontkennen dat ze tot het sjiisme bekeerde soennieten zouden zijn – alleen de FAZ en het regime beweren dat. Op de Youtube-beelden van de begrafenissen zijn anti-regimeslogans te horen en pro-oppositie-vlaggen te zien. Wat die kale koppen en lange baarden betreft: uit recente videobeelden van Shabiha blijkt dat die dresscode zeker niet beperkt blijft tot fanatieke jihadi's. Bij het interview met de elfjarige Ali schrijft het persagentschap AP expliciet dat dat er gekomen is door bemiddeling van “anti-regimeactivisten”. Als de rebellen die hele familie hadden uitgemoord: waarom zouden ze dan dat ene kind in leven houden, en hem laten praten met de pers?'

Op mijn vraag door De Cock gecontacteerd, schreef Peter Bouckaert, emergencies director van Human Rights Watch – voorlopig de enige organisatie die een dag na de slachting interviews deed met overlevenden – per mail dat de organisatie het stuk van in de Frankfurter Allgemeine ‘diep problematisch' vond. ‘Ons eigen onderzoek levert geen enkele ondersteuning voor de theorie dat deze slachting door de rebellen zou zijn uitgevoerd. Het is jammer dat een gereputeerde krant zulke zware beschuldigingen uit zonder ook maar één interview te doen met de overlevenden. Hadden de redacteurs de minste fact checking gedaan, dan hadden ze ontdekt wat voor een bedenkelijke reputatie hun bronnen hadden.'

Rainer Hermann blijft bij zijn versie. Al weerlegt hij de kritiek, in een reactie in de FAZ van 13 juni, in eerder algemene termen: er is in die streek veel sektarisch geweld, ‘iedereen kent' er verhalen van religieuze zuivering, en er zijn ook veel wapens naar de rebellen gesmokkeld, dus waarom zou alleen het regime wreedheden begaan? Over zijn bronnen zegt hij dat ze geloofwaardig zijn, maar hij kan ze niet noemen.

De lezer die me contacteerde – en die zich baseert op een analyse op de site De Wereld Morgen – meldt dat ‘zelfs de BBC' zich zou hebben ‘verontschuldigd' voor haar Houla-berichtgeving. Dat blijkt mee te vallen. Jon Williams, news editor van BBC World, schreef op zijn blog over hoe moeilijk het is om in oorlogstijd precieze informatie te krijgen, en dat ‘gezonde scepsis' noodzakelijk blijft. Als voorbeeld noemt hij de eerste berichten dat van 34 slachtoffers in Houla de keel was doorgesneden. ‘Daar zijn inderdaad twijfels over', beaamt De Cock. ‘Ik maak er zelf een punt van om naar de beelden te kijken, al maandenlang geen fijne job, en ik moet toegeven dat het soms moeilijk te onderscheiden is hoe iemand is gedood – zeker bij kleine kinderen.'

‘Het is ook niet dat we niet willen schrijven over de wandaden van het Vrije Syrische Leger. Alleen heb ik één maand na de feiten nog altijd geen bewijzen gelezen dat zij verantwoordelijk zouden zijn voor Houla. Het “onafhankelijke onderzoek” van het regime heeft nog niets opgeleverd, de VN mogen niet onderzoeken – en ik, die wel wil onderzoeken, mag met vele collega's niet binnen. Als het regime die slachting niet heeft begaan, dan hebben ze er toch belang bij om ons toe te laten?'